Interview

Zwarte Riek: 'Soms kan ik er gewoon niet bij dat ik maar één leven heb geleid'

Rika Jansen, beter bekend onder haar artiestennaam Zwarte Riek, is donderdag in haar woonplaats Zandvoort overleden. De zangeres had de bijnaam Jordaanprinses. Parooljournalist Corrie Verkerk sprak in 2006 met de zangeres. Het interview is hieronder terug te lezen.

Zwarte Riek Beeld Klaas Fopma

Haar wiegie was een stijfselkissie en in 'Amsterdam Huilt' bezong ze vol weemoed de sfeer van Weesperstraat en Jodenhoek. Rika - 'Zwarte Riek' - Jansen werd er een ster mee.

Wat vond u nu zelf uw mooiste nummers?
'Dat blijven toch M'n Wiegie Was een Stijfselkissie en 'Amsterdam Huilt'. Dat 'wiegie' was helemaal op mij geschreven, en op m'n moeder. Een heel leven in een paar coupletten. Dat vond ik zo knap. Ik ken het nog allemaal uit m'n hoofd, want hier boven is alles nog als nieuw, hoor: 'De ooievaar kwam aangevlogen, m'n moeder keek angstig omhoog, ze was bezig kopjes an 't drogen, toen-ie bij ons binnenvloog'. Er er kwam heel wat aangevlogen. M'n opoe kreeg negentien kinderen, waarvan er zestien overleefden. Ik kende zelfs families met 21 kinderen. De vader wist niet eens wanneer wie jarig was. Wij waren thuis met z'n vijven. En mijn moeder was de liefste, fijnste en mooiste vrouw van de hele wereld. Echt waar.'

U woont nu in Zandvoort. Nooit meer terug naar Amsterdam?
'O nee, het is een rijkdom hier te wonen. Toen ik nog in Spanje woonde, ging ik wel eens logeren bij een vriendin op de Overtoom. Durfde je na zeven uur 's avonds echt niet meer de deur uit. Hier is het heerlijk, vlakbij de boulevard. Al kom ik daar bijna niet meer, vanwege m'n benen. Maar ik kan me nog helemaal zelf bedruipen. De Dirk van den Broek is hier vlak naast.'

En u woont in een prachtig huis.
'Heel modern ook. Daar houd ik van. In m'n hoofd ben ik hightech. De bank en de stoelen zijn van Jan des Bouvrie. Je moet het toch prettig voor jezelf maken. Je kunt het niet meenemen, weet je wel. Ik heb ook overal de radio aan. Heb ik toch een beetje het idee dat er iemand tegen me aan praat. Zit je goed, in die stoel? In de Jordaan zeggen ze dan: doe je broek uit, dan zit je lekker.'

Toch liggen uw wortels in Amsterdam.
'Ik ben geboren aan de Brouwersgracht. Als kind heb ik ook nog een poosje aan de Geldersekade gewoond. Daar had mijn moeder een café. Het was de tijd dat de Chinezen naar Amsterdam kwamen. En met een van die meisjes was ik vriendin. Ze had een driewielertje, waarop ik ook mocht fietsen. Maar op een dag wilde ze dat fietsje terug en gaf me zo'n duw, dat ik zo de Geldersekade in vloog. Precies op de plek waar het water stil stond. Daar lag een heleboel rotzooi in, afval, gebruikte condooms. Die haalden we als kinderen uit het water en bliezen we op. Wisten wij veel. Een zwarte zeeman heeft me uit het water gevist. Ik was doodziek, lag op sterven. M'n moeder kreeg te horen dat ze niet te veel hoop moest hebben. 'D'r ogen zijn al gebroken,' zeiden de dokters. De ziekte van Weil had ik en de tyfus. Eerst in mijn hoofd, later in m'n buik. Ik zie me nog liggen in dat ziekenhuisbed, met zo'n touw ervoor. Ach, m'n arme moeder. Ze had het niet makkelijk. M'n vader was de hort op - het was geen liefdeshuwelijk - ze moest haar café draaien en ik lag doodziek. Een oom van me kwam elke dag in het ziekenhuis. En dan fietste hij langs het café en floot. Dan wist ze dat ik nog leefde. Ik was vanaf mijn geboorte een zwak poppetje, nauwelijks vijf pond. Toen zeiden de dokters al dat ik geen blijvertje zou zijn. En kijk, ben ik nu geen knappe meid?'

Je kunt wel zeggen dat u een veelbewogen leven achter u heeft.
'Soms zie ik foto's van voor de oorlog, en dan kan ik maar niet begrijpen dat ik toen ook al leefde. De steuntrekkers met hun petten op, de armoe, weet je wel. Bij mijn vriendinnetje thuis werd op vrijdag de petroleumlamp scheef gezet, voor het laatste beetje olie. Want op zaterdag kwam er weer wat geld. Daar komt de uitdrukking ' De lamp hangt scheef' vandaan. En het was er altijd reuze gezellig, hoor, bij haar thuis. Als de jonge mensen van nu eens in de tijd zouden kunnen kijken. Dan zouden ze de rijkdom van de armoe leren kennen.'

'Soms kan ik er gewoon niet bij dat ik maar één leven heb geleid. Wat is er allemaal niet gebeurd? Prinses van de Jordaan ben ik geweest. Werd ik rondgereden in een koetsje. Ik heb m'n eigen onewomanshow gehad, opgetreden van Carré tot in de grote zaal van Carnegie Hall, in New York. Zelfs in Beiroet heb ik gezongen. Daar kreeg ik van zo'n sjah in de pauze een hele mooie sjaal met een gesp. Hij wilde me, denk ik, wel kopen. Ach, zo'n mooi land was het. Als je dan bedenkt dat er daarna zo is gevochten... Toen was het net Parijs.'

Niet slecht voor een meisje uit de Jordaan.
'Dat zei m'n moeder later ook altijd. Want als je uit de Jordaan kwam, vonden ze je toch ordinair. Anders. Het was ook een heel eigen wereld. 's Avonds met z'n allen zingen, op de Lindengracht, als het stil was. Altijd treurige liedjes, dat klonk waarschijnlijk mooier. En ik kan me ook het oproer van 1934 nog herinneren. Toen is er in de buurt geschoten. De koningin is ook nog langsgekomen. Gingen er hele fornuizen uit de ramen van de Willemsstraat. Vechten, daar waren ze altijd goed in, in de Jordaan. Ook onder elkaar. Zelf was ik ook een echt vechtersbaasje, net een jongetje. En hoe vaak ik niet ergens tegen opgebotst of gevallen ben. Ik heb nog overal de littekens.'

Jullie hadden ook een eigen taaltje.
'Ja, met veel eigen woorden uit het Frans. Ik heb nog eens een hit gehad met Sansee de platte boender. Dat ging van: 'Hup Sansee de platte boender. Hup Sansee de labadoer, Hup Sansee de karrewatsie, en allemaal de benen van de vloer'. En dan: 'De Franse toer de labadoer, in de Rue de Anjelier met baaien rokken aan de zwier, hup Sansee de patte boender, en allemaal de benen van de vloer'. Dat waren gewoon Jordanese uitdrukkingen. Dat kwam nog een beetje uit de tijd dat de Fransen hier waren. Er waren mensen die minachtend deden over zulke liedjes. Op de radio hoorde ik een diskjockey zeggen: 'O, die Rika Jansen. Die zong van dat wiegie en Hup Sansee.' Alsof dat iets vies was. Ik wilde meteen de telefoon grijpen. Ik dacht: die krijgt ze getrokken. Maar toen zei hij ineens: 'Maar nú heeft ze zo'n prachtig lied: Amsterdam huilt.'

Wanneer begon u officieel met zingen?
'Net na de oorlog. Daarvoor stonden we als meisjes, als er op de markt een fancy fair was geweest, bovenop de stallen te zingen. Dan wisten we de mensen wel mee te krijgen. Al was ik in het begin een beetje bleu. Mijn zusje Marietje zong al eerder. Op haar dertiende trad ze al op bij het Cabaret der Onbekenden, vlakbij het Frederiksplein. Dan ging ik mee om haar een beetje te helpen met de mimiek. Daar was ik heel goed in.'

En niet alleen in mimiek.
'Ik heb ook nog getapdanst met mijn broer. Was ik een jaartje of twaalf. Later ben ik ook nog acrobate geweest, samen met tante Greetje Boltini. Nou ja, tante. Ze was net zo oud als ik, maar wel met mijn oom getrouwd. Ik was altijd al goed in turnen, dus we hadden met z'n tweetjes zo een nummer in elkaar gezet. Echt een zware act. We deden ' kop-op-kop'. Hield ik Greetje, die toch tien kilo zwaarder was, bovenop mijn hoofd. Ik was ook de enige vrouw die een ' voorplank' kon doen: helemaal gestrekt op iemands knieën balanceren. Daar moest je heel sterke buikspieren voor hebben. Om het geld voor onze kostuums en zo te verdienen deden we er allemaal baantjes bij. Ik ben nog ouvreuse in de Rex-bioscoop geweest. White & Black, zo noemden we onszelf. We hebben van alles gedaan, tot aan de ijsrevue. Maar uiteindelijk ging Greetje terug naar het circus. En dat wilde ik niet. Dat was geen leven voor mij.'

U bent niet altijd Zwarte Riek geweest.
'Op het laatst trad ik op onder mijn eigen naam. Maar helemaal in het begin trad ik ook wel op onder de naam Fanny Black. En als Rosita Laviero. Dat kwam doordat de eigenaar van de Haarlemse club waar ik zong zo van het liedje La Vie en rose hield. Ik zong er, in een gepikte jurk van Marietje, een paar nummers in het Portugees. Helemaal uit de maat, want dat repertoire was moeilijk. De pianist, Bartje Stuivenberg, zei: 'Kan je niks anders?'. En toen heb ik maar een Amsterdams liedje gezongen: Het lied van Pummeltje. Dat begon zo: 'Joris Pummel was een klein provinciaaltje, en zijn dikke vette vrouw heet kortweg Aaltje.' En Bas zei: 'Dat is helemaal jouw stijl.' Daar had hij gelijk in. Als Rosita Laviero werd ik wel ontmaskerd. Iemand in de zaal riep opeens: 'Kijk nou, daar heb je Riekie van de vis.'

Want u kwam 'uit de vis'.
'Mijn vader had de eerste bokkingrokerij in Amsterdam. We stonden op de markt. En we moesten allemaal meehelpen. Voordat je naar school ging, moest je bokking schoonmaken. De één sneed het koppie eraf, de tweede het buikie open en de derde haalde de graten eruit. Haringen uit de pekel halen, de vis venten. Ik vond het verschrikkelijk. En koúd. Ik stond met kranten onder m'n borstrok. En dan moest je nog hard roepen ook: 'Vier haringen voor een dúbbeltje!' Anders kon je een klap krijgen. Ach, iedereen kreeg klappen. Dat hoorde kennelijk bij je opvoeding. Alleen m'n moeder, die sloeg nooit. Ik wist toen al één ding: ik wil nooit, nooit in de vis'.'

'Maar we hadden nooit honger, ook niet in de oorlog. Er was altijd vis. Daar heb ik nog steeds sterke botten en tanden van. En dat terwijl ik tot m'n veertiende nooit een tandenborstel heb gekend.'

Wat betekende de ontmoeting met Kees Manders voor u?
'Hij heeft natuurlijk Het stijfselkissie en Amsterdam huilt geschreven. Ik werkte, nog samen met Greetje, in zijn revue Mijn Hart Kreunt Voor Jou. Dat was zijn vertaling van My Heart Cries For You. Nou, aan het eind kreunde zijn hart voor mij.'

'Bij Kees heb ik in het Rembrandt Theater mijn eerste onewomanshow gedaan, met een heel internationaal repertoire: Plumes, pluche en plastic. De kranten stonden er vol van. Zwarte Riek, schreven ze, had haar naam en haar baaien rok afgezworen. Nu was het gewoon Rika Jansen. En Henk van der Meyden schreef: A star is born. Daar was ik best trots op. Al heb ik in mijn show in Carré nog wel één nummer gezongen in die baaien rok: Ik schil de patatten. Een heel mooi lied over alle narigheid in de wereld. 'De politiek gaat me te hoog, ik ben er bij gaan zitten', zo begon dat.

Pas nog hoorde ik Paul de Leeuw tegen Adèle Bloemendaal zeggen: 'Jij was toch de eerste met een onewomanshow?' Maar ik was er al veel eerder. Al wil ik daar niks naars mee zeggen. En nog voor die tijd hebben we hele mooie, grote, programma's gemaakt, tot in Frankrijk. Daar was ik echt een ster. Ze hadden er, schrijven ze, nog nooit zo'n mooie cancan gezien. Ko van Dijk en Wim Sonneveld zijn nog komen kijken. Als ik in Frankrijk of in Amerika was gebleven, had ik misschien wel heel groot kunnen worden. Maar ja, dat wilde ik niet.'

Was Kees uw grote liefde?
'Hij was m'n troost en toeverlaat, mijn maatje. We werkten samen, hadden altijd stof tot gesprek, 21 jaar lang. Maar toen kreeg hij een hartinfarct en gingen we samen in Zandvoort wonen. Daar ging het mis. Hij deed niks meer, had nergens meer zin in. En toen kwam er ook nog een dame in het spel. Toen ben ik naar Spanje vertrokken. Ik weet nog dat ik in mijn auto, een Porsche, stapte, en Kees me een klap gaf zoals je alleen bij een kerel doet. Ik zei: 'Dat had je nooit moeten doen, Kees. Nu kom ik nooit meer terug.' En ik heb me aan mijn woord gehouden. Volgens Kees zou ik Spanje nooit halen. Maar ik heb het gered, ondanks een lichte hersenschudding. Toen ik daar was, heb ik hem direct gebeld. Het enige wat ik zei, was: 'Ik ben gearriveerd.' En toen heb ik opgehangen.'

Spanje.
'Daar heb ik dus heel lang gewoond en ik ben er ook nog getrouwd geweest. Met een jonge Duitse slager. Eigenlijk deed ik dat een beetje om Kees te raggen, dwars te zitten. Zo van: 'Wat jij kan, kan ik ook'. Ik voelde me heel erg beschadigd. Ik was nog nooit door iemand in de steek gelaten. Dat huwelijk heeft toch nog zeven jaar stand gehouden.'

Nu bent u de tachtig gepasseerd. Kijkt u tevreden terug?
'Ik ben nog een van de laatste der Mohikanen. En ik heb het wel goed gedaan, denk ik. Al had ik ook heel graag dokter willen worden. Maar daar had ik niet genoeg voor geleerd. Ik moest uit werken, geld verdienen. Ik ben nu overigens net begonnen aan mijn codicil, voor als ik dood ga. Niet dat ik al afscheid van het leven wil nemen. Maar als je in de krant kijkt, zie je zo veel mensen van in de tachtig omvallen als rietjes. En nee, ik word niet in de negentig. Dat voel ik. Eigenlijk zou alles voor mijn dochter zijn geweest, maar die is overleden. Vierenveertig jaar, zo ineens een hartinfarct. Dan heeft je leven eigenlijk geen doel meer. Al kan het je ook niet meer kwetsen. Daar in de hoek heb ik een altaartje ingericht, met een grote boeddha. Daar brand ik elke dag van die staafjes wierook. Er staan foto's van mijn dochter, mijn ouders, mijn zus, mijn broer en ook nog een neefje. M'n nichtje is heel jong verdronken in de badkuip, mijn neefje is geschept door een spookrijder. Raar, ook mijn vader is bij een ongeluk om het leven gekomen. Hij kwam met zijn auto onder de trein. De spoorbomen deden het niet. Zo is er altijd wel wat geweest in de familie. Er staat ook van iedereen een potje met as. Die gaan straks met me mee. M'n moeder ook. Ik heb haar laten opgraven en cremeren. Dat was een hele grote beslissing. Maar ik dacht: anders verdwijnt ze straks op het knekelhof, als ik er niet meer ben. Dat kan ik niet verdragen. Als ik zelf ga, ga ik niet stiekem, zoals Rudi Carrell er zomaar tussenuit geknepen is, weet je wel. Dat vond ik eigenlijk een rotstreek. Terwijl hij altijd zoveel in de publiciteit stond.'

Voorlopig blijft u aan uw conditie werken.
'Ja, ik houd het lichaam wel op peil. Ik heb hier een trilplaat staan, een hometrainer en net weer zo'n nieuw ding, een Swing Stepper Compact. Moet ik nog even kijken hoe dat moet, met al die schroefjes. Straks ga ik weer een half uurtje trainen. Elke dag.'

En nu dan, Amsterdam huilt. Wat wilt u daar over kwijt?
'Zo veel mensen hebben dat na mij gezongen, maar je kunt het pas echt uit je hart doen als je de oorlog hebt meegemaakt. Mijn moeder hebben ze opgepakt, omdat ze onderduikers had. Joden, andere vluchtelingen, dat wisten we niet precies. Het ging allemaal via het communistische verzet. Ze woog 107 kilo toen ze werd weggehaald, 45 toen ze terugkwam. Op de Nieuwmarkt heb ik bij razzia's gezien hoe een Duitser, zonder pardon, een jongetje door zijn hoofd schoot. En hoe de Joodse Raad zijn eigen mensen, uit hun huizen haalden en aan de Duitsers uitleverde. Kees had Amsterdam Huilt al geschreven voordat ik het kon zingen. Het ging gewoon niet, weet je wel? We hebben het ook uit de jukeboxen laten halen. Dat vonden we niet gepast. Terwijl je daar toch de meeste plaatjes mee verkocht. En nu hoorde ik Job Cohen op de Dam, tijdens de herdenking, ineens zeggen: 'Amsterdam huilt is een lied dat nooit geschreven had mogen worden.' Daar werd ik stil van. Wat bedoelde hij daarmee? Dat wil ik wel eens weten. Daar heeft hij me echt mee bezeerd. Ik ben er een paar dagen ondersteboven van geweest.'

Beeld Klaas Fopma
Rika Jansen

Geboren op 8 oktober 1924 in Amsterdam
1930: Jan de Liefde School aan de Rechtboomsloot
1946: Eerste optreden als zangeres
1952: Acrobatenduo White & Black met tante Greet Boltini
1956: Kees Manders schrijft Mijn wiegie was een stijfselkissie
1959: Zwarte Riek wordt Rika Jansen
1960: Met Manders’ Moulin Rouge-show Tschi Tschi Tschi aan de Cote d’Azur
1962: Eerste onewomanshow in het Rembrandt Theater, tv-debuut Avro’s Music Hall
1964: Eerste optredens met Amsterdam huilt, tournee door Amerika, onder meer in Carnegie Hall. Rika Jansen Show bij KRO.
1974: Na een periode in Zandvoort een verhuizing naar en optredens in Spanje
2001: verhuizing naar Zandvoort
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden