PlusColumn

Zonder een greintje liefde werden de kinderen gedrild

Gijs Groenteman Beeld Linda Stulic
Gijs GroentemanBeeld Linda Stulic

Afgelopen zaterdag werd een hartverscheurende aflevering uitgezonden van Andere Tijden, over kinderen in Nederlandse weeshuizen, ­tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog.

Twee oudere dames en een heer kwamen aan het woord - alle drie keurige mensen, goed gecoiffeerd en welbespraakt - die als kinderen op de meest grove en onmenselijke manier behandeld waren.

Bob Tebrunsvelt, de heer in het gezelschap, zat in het Diaconie-weeshuis in Amsterdam-Zuid. "Mijn ouders waren gescheiden," vertelde hij, "en de tweede moeder wilde ons niet in huis hebben, dus moesten mijn broertje en ik opgevangen worden, en dat gebeurde toentertijd in een weeshuis."

Waarna een relaas vol horreur volgde. Alles moest volgens een regime in de weeshuizen, zonder een greintje liefde of compassie werden de kinderen gedrild. Als je in je bed had geplast kreeg je slaag.

Als je had overgegeven in de vieze drek die je eten was, diende je je eigen braaksel op te eten.

Tijdens de uitzending appte ik mijn moeder: 'Was dít het weeshuis waar jij altijd naar binnen stond te kijken?'

'Neeeeee!' appte ze terug. 'Dat was een modern gebouw met veel rotan.'
Even later: 'Ja, het is het toch! Er staat Volkerakstraat! Daar was het Hervormde Weeshuis!'

Ik ken haar verhaal al zo lang als ik me kan herinneren. ­Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat ze ondergedoken in Rijnsburg, bij een warm, groot en gezellig gezin van bollen­kwekers. Eens in de week gingen alle kinderen in de tobbe, op zondag kregen ze een pepermuntje in de kerk en de vellen van de pap werden in een bord gegooid, met suiker bestrooid en aan mijn moeder gegeven - zij was daar als enige dol op.

Haar ouders zaten elders ­ondergedoken, en kwamen haar na de oorlog ophalen. Toen zette haar leven zich voort op een verdieping in de Rivierenbuurt, waar haar opa en oma ook woonde. Vier getraumatiseerde volwassenen en één 6-jarig meisje op een Amsterdamse verdieping.

Elke keer als ze langs het weeshuis in de Volkerakstraat liep, stond ze dromend naar binnen te kijken: die kinderen met ­elkaar in één huis, al die leidsters - dáár was het tenminste gezellig.

In die illusie heeft ze een dikke zeventig jaar geleefd. Tot afgelopen zaterdag, toen Bob Tebrunsvelt zijn geschiedenis uit de doeken deed.

Het is een verhaal zoals het ­leven zelf, aan de ene kant van de ruit staat een diep ongelukkig wezen naar de diep ongelukkige wezens aan de andere kant van de ruit te kijken, en denkt: dáár is het goed.

Gijs Groenteman (1974) is schrijver, presentator en journalist. Wekelijks schrijft hij voor Het Parool een column.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden