Zijn wij echt van die onverbeterlijke fietshufters?

De Amsterdamse fietser is een proleet op twee wielen, een verkeershufter eerste klas. Een herkenbaar beeld, maar klopt het eigenlijk wel? Wie zijn ogen de kost geeft, komt tot een andere conclusie. 'De meeste fietsers gedragen zich best charmant.'

Marc Kruyswijk
null Beeld Jorris Verboon
Beeld Jorris Verboon

Eén keer is het gelukt: een schielijk overstekende toerist preciés op zijn hak rijden. Als je het goed doet, als je net bij het wegstappen het achterste puntje van de zool raakt, schiet de schoen uit en staat de toerist op zijn sok aan de zijkant van het fietspad. Beteuterd, een illusie armer. Zo gaat dat dus in de fietshoofdstad van de wereld. Aangenaam kennis te maken. Welkom in Amsterdam!

Het is een jeugdzonde, maar de ontboezeming is waar gebeurd. Het verlangen een toerist zijn schoen uit te rijden, heeft vooral te maken met leeftijd (een jaar of zeventien), maar zegt in de verte ook van alles over de houding van de Amsterdamse fietser in bredere zin. Het fietspad, dat is van mij. En de stoep eigenlijk ook. Als ik op de rijweg fiets, kun je als automobilist maar beter opzijgaan, anders klinkt er straks een doffe klap op je dak, is je ruitenwisser afgebroken. Rood licht? Lekker belangrijk. Fiets dwars op straat? Jammer dan. Een vader met een bakfiets die veel te langzaam die brug op ploegt? Opzouten man!

Inferieure diersoort
De Amsterdamse fietser heeft een naam hoog te houden als het gaat om asociaal fietsgedrag. De koning van de weg. Het is een kreet waarmee je veel kanten op kunt, maar in het beeld is die Amsterdamse koning een despoot, een wrede heerser met slechts één belang: het eigenbelang. Soortgenoten zijn al irritant, maar voetgangers, scooters en vooral automobilisten vormen voor de fietser simpelweg een inferieure diersoort, een noodzakelijk kwaad. Hoewel, noodzakelijk?

Het beeld werd onlangs weer eens bevestigd door Jort Kelder. Na tien jaar in het Gooi te hebben gewoond, keerde hij afgelopen jaar terug in de binnenstad. Vorige week schreef hij op zijn website over de
hernieuwde kennismaking met de Amsterdamse fietser, die hij 'totaal losgeslagen' noemde: ongedierte dat zich 'zelfverzekerd onttrekt aan elke fatsoensnorm'.

Terwijl Kelder zijn antieke Maserati op een zaterdagochtend stapvoets uit de garage op het Singel manoeuvreerde, knalde vanuit zijn dode hoek een jongedame met fiets en al bovenop zijn 'bejaarde Italiaan'. Druk bellend en fietsend aan de verkeerde kant van de weg.

Natuurlijk. Aanvankelijk schrok Kelder, maar toen de gevolgen bleken mee te vallen, werd hij nijdig. 'Hoe dit sprookje afloopt? De fiets wint uiteraard, zonder sorry te zeggen. Mevrouw fietst vrolijk verder - 'heb haast, moet door' - en ik blijf achter met een niet kinderachtige nota.' Schade: ruim 2500 euro.

Kelder, nooit te beroerd om flink uit zijn slof te schieten, ging eens goed los op zijn website. Buiten de beschermde muren van zijn dure parkeergarage begint een gekkenhuis, schrijft hij. Het paradijs waar fietsers als een losgeslagen legioen verkeersdeelnemers door de stad trekken. Fietsers die ook nog eens worden beschermd door de wet, zegt Kelder, of ze nu fout zijn of niet. De gemeente moet in actie komen, besluit hij zijn relaas. 'Wie roept de fietsanarchie een halt toe?'

Sjezend over de stoep
De Amsterdamse fietser als verkeershufter, het is een kwalificatie van alle tijden. Jaren geleden al stoorde toenmalig hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie Eric Nordholt zich aan het anarchistische gedrag van de Amsterdamse fietsers. 'Het lijkt wel of men denkt dat alles geoorloofd is,' verzuchte hij in 1992. En wie bij een taxichauffeur eens informeert naar het gedrag van de tweewielige medeweggebruiker, wacht een tirade waar Kelder nog een puntje aan kan zuigen.

De Amsterdamse fietser, die is een proleet. Maar hoe wáár is dat eigenlijk? Is de fietser die grote rotzak die zich niets gelegen laat liggen aan de wereld om hem heen? Is er sprake van asociaal gedrag, van fiets-
terreur zelfs?

Zo op het eerste gezicht lijken de beweringen hout te snijden. Begeef je met de fiets eens in de Damstraat of voor het Centraal Station. De Munt, De Pijp of één van de Negen Straatjes. Overal krioelt het van de fietsers. Ze rijden met zijn drieën naast elkaar en tegen het verkeer in. Als het nodig is, en anders trouwens ook, pakken ze makkelijk even dat stoepje mee. Ze bellen, checken mail en Facebook en hebben ondertussen geen boodschap aan stoplichten of andere verkeersdeelnemers. De buitenlandse bezoeker, voor het eerst in de stad, houdt er - op zijn minst - een licht geïntimideerd gevoel aan over.

Braaf
Maar wie beter kijkt, ziet toch echt iets anders. Amsterdammers fietsen door rood, heet het. En inderdaad, bij welk stoplicht je ook kijkt, er fietst er bijna altijd wel ééntje door terwijl hij eigenlijk moet stoppen. Maar tel eens hoeveel er braaf staan te wachten tot het groen wordt? Dat zijn er niet zo maar meer, dat zijn er echt véél meer.

Nog een voorbeeld: de Leidsestraat. Daar mag niet worden gefietst. Wie wil, ziet ze er echter in rotten van vier doorheen crossen. 'Die fietsers ook altijd...' Als je niet uitkijkt, kan het je zomaar ontglippen, maar wie gewoon eens een tijdje gaat staan tellen, zal zien dat het de meeste dagen wel meevalt. Er fietst soms een scholier over de trambaan, her en der pakt een man in driedelig pak een kort stukje Leidsestraat mee. Maar fietsterreur? Het gros loopt hier gewoon, met de fiets aan de hand.

Ook Pete Jordan plaatst vraagtekens. De Amerikaan schreef vorig jaar De fietsrepubliek, een cultuurgeschiedenis van het fietsen in Amsterdam. Nog niet zo lang geleden zag hij tijdens een symposium een vijf minuten durend filmpje van het Mr. Visserplein. 'Het werd gepresenteerd als inkijkje in het wangedrag van fietsers in de stad. Het ging om het bekende door rood licht rijden, over de stoep sjezen en ander manieren waarop de regels werden overtreden.'

Vijf procent
Eerst grinnikte Jordan mee, maar na een tijdje merkte de Amerikaan dat de meeste kijkers iets over het hoofd leken te zien. 'Het aantal fietsers dat er met filmische middelen werd uitgelicht omdat ze de regels overtraden, bedroeg in totaal negen. Maar 174 mensen overtraden in de film geen enkele wet! Doordat vijf procent in de schijnwerpers werd gezet, versterkte de film het idee dat Amsterdamse fietsers een losgeslagen bende vormen.'

Het heeft hem de ogen geopend, zegt Jordan, want als hij om zich heen kijkt, en dat doet hij al twaalf jaar tijdens zijn dagelijkse ritjes door de stad, ziet hij meer en meer gezagsgetrouwe fietsers om zich heen. Volgens hem is de slechte reputatie iets waar de Amsterdamse fietser vooral graag een beetje prat op gaat. 'Het is vloeken in de kerk, het is níet het verhaal dat de Amsterdammers willen horen over hun fietsgedrag, maar het is zo slecht niet gesteld met ons.'

@fietsprofessor
Daar sluit Marco te Brömmelstroet, onderzoeker verkeersplanologie aan de UvA, zich bij aan. Te Brömmelstroet is op Twitter één van de twee mensen achter het account @fietsprofessor. Hij noemt het massale overtreden van de regels door Amsterdamse fietsers 'vooral anekdotisch'. 'Iemand die door rood fietst, valt veel meer op dan iemand die dat niet doet. Ik vermoed dat veruit de meerderheid van de fietsers zich keurig gedraagt, of hoogstens hier en daar de regels bijbuigt.'

Later dit jaar presenteert Te Brömmelstroet de uitkomst van grootschalig onderzoek dat hij doet in opdracht van de gemeente naar eventueel wangedrag van fietsers. Twee jaar geleden concludeerde hij al dat fietsers weliswaar regelmatig stukjes afsnijden, maar dat structureel wangedrag niet kan worden aangetoond. Het tegenovergestelde is misschien wel het geval, oppert Te Brömmelstroet: 'Er zijn ook veel verhalen dat fietsers op kleine schaal juist heel sociaal zijn in zwermgedrag: ze wijken net even uit zodat de ander lekker kan doorfietsen.'

Zou het echt zo zijn? Houdt de Amsterdamse fietser zich stiekem gewoon aan de regels? Is de misschien wel onbevredigende conclusie dat we braaf worden met zijn allen?

Misschien is dat echter vooral een kwestie van perspectief. Wie dagelijks door de binnenstad fietst, treft in meerderheid andere fietsers. De meesten gaan gelijk op. Amsterdamse fietsers zijn met veel, maar ze zitten elkaar op de meeste plekken niet per se in de weg. Er gebeurt wel eens wat, maar in de praktijk ga je zelden tot nooit tegen het asfalt. Waar het op neerkomt: fietsen is niet eng.

Wachttijdmelders
Wie een ander perspectief, een ander vervoermiddel kiest, merkt echter dat fietsen best eng kan zijn. Met een auto het centrum door is een verzoeking. Niet in de eerste plaats door het drukke verkeer en de auto-onvriendelijkheid, maar vooral door de soms doorgeschoten zelfredzaamheid van de fietsers. Wie in een auto zit, ziet minder en heeft meer ruimte nodig. Dat realiseer je je als automobilist, maar de ervaring leert dat fietsers daar weinig oog voor hebben. Kortom: voor een automobilist zijn fietsers soms best eng.

Vorige week nog. Op de Herengracht wordt gewerkt. Met passen en meten stuur je je auto langs de werkplek. Alsof het allemaal nog niet lastig genoeg is, scheren de fietsen vlak langs je heen. Een vader met één kind voorop, één kind achterop en een derde onzeker fietsend naast hem, weigert ook maar een beetje in te houden. Foeterend weet hij in te halen, boos kijkt hij om. Bij het kruispunt met de Vijzelstraat rijdt het gezelschap onhandig door rood.

Mondig
Het is grootsteeds gedrag, zegt Ria Hilhorst, beleidsadviseur fiets bij de gemeente. De Amsterdammer is mondig, die laat zich niet snel de kaas van het brood eten. 'En veel mensen pakken de fiets, gaan ermee naar hun werk. Dan fietsen ze niet rustig, dan is er een deel dat gewoon haast heeft. Amsterdammers zijn misschien geneigd voor zichzelf op te komen. Buiten het verkeer, maar zeker ook in het verkeer.'

Het verkeersgedrag is daar een afspiegeling van. Maar, zegt Hilhorst, er is inderdaad sprake van verbetering. 'Het lijkt allemaal beter te gaan de laatste jaren. De meeste mensen wachten voor rood, de meeste mensen fietsen niet op de stoep.' Dagelijks fietsen er meer dan een half miljoen mensen door Amsterdam, die samen twee miljoen fietskilometers afleggen - dat is dagelijks vijftig keer de aarde om. 'De meeste fietsers houden zich aan de regels.'

Uiteindelijk heeft het ook te maken met gemeentelijk beleid, zegt Hilhorst. Want de fietser, die belangrijkste aller verkeersdeelnemers, krijgt binnen de grenzen van het redelijke zo veel als mogelijk de ruimte. Stoplichten bijvoorbeeld: daar houden fietsers niet van. 'En al helemaal niet als die te lang op rood staan. We zijn er de laatste jaren steeds beter in geslaagd die optimaal af te stellen. Rekening houdend met alle verkeersdeelnemers, waardoor mensen niet het gevoel hebben dat ze voor niets staan te wachten op groen.'

Ook de wachttijdmelders werken in dat opzicht goed, zegt Hilhorst. 'Als mensen zien dat ze maar enkele seconden hoeven te wachten, zullen ze minder snel door rood rijden. Je weet waar je aan toe bent.'
Het gaat dus best goed dus, met die Amsterdamse fietsers. Het valt niet uit te sluiten dat er ooit nog een toerist op een fietspad uit zijn schoen wordt gereden, maar de kans lijkt aanmerkelijk kleiner geworden.

Wat vindt u? Zijn Amsterdamse fietsers werkelijk zo onbeschoft en asociaal of is dat een imago dat graag in stand wordt gehouden? Discussieer mee op Twitter met de hashtag #fietshufter.

Lees vandaag (22-2) meer in de fietsspecial van de PS van de Week

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden