Column

'Zeg, jij nog wat spannends meegemaakt deze zomer?'

Roos SchlikkerBeeld Oof Verschuuren

"Hé hoi! Hoe is het?" De redactrice van het tv-programma klinkt enorm monter.

"Het gaat," murmel ik omslachtig omdat ik twijfel tussen me er makkelijk van afmaken en eerlijk zijn.

"O ja, nou goed. Fijn. Fijn!" babbelt het meisje over mijn antwoord heen, het bewijs leverend voor het wonderlijke fenomeen dat op de vraag 'Hoe gaat het?' slechts één antwoord mogelijk is. Als je niet aangeeft dat alles superdepuper is, mengt het ongemak zich als een ongenode gast in het gesprek.

"Maar goed, het nieuwe seizoen begint weer, we hebben er zin in, dus wil je volgende week bij ons te gast zijn?" gaat ze na enige stilte ijzerenheinig vrolijk verder.

"Ik heb besloten even in de luwte te blijven," zeg ik.

"Ah! Joh. Okéééé. Maar je bent altijd welkom hoor. Zeg, heb jij nog wat spannends meegemaakt deze zomer?"

Secondelang vergeet ik te ademen. Pas als ik ophang, komt het. Een eigenaardig gehinnik. "Ben je niet pissig?" vraagt mijn man. Welnee. Blijkbaar is het haar ontgaan dat mijn moeder dood is. Dat kan. Bovendien word ik zelden kwaad om onhandigheid.

Een oom bezoekt me. Als hij vertrekt, zegt hij: "Wat fijn je even te zien in levenden lijve." "Ja, dat vind ik tegenwoordig ook een voordeel," flap ik eruit, waarna we beiden beginnen te giechelen.

Ik heb nog nooit zo vaak de slappe lach gehad als nu. Het is geen lach om niet te huilen. Dat huilen komt vanzelf, op onverwachte momenten.

Niet als ik mijn moeders kleding sorteer, wel als ik mijn jongste aflever op voetbalkamp. Zijn gesjor aan dat te grote broekje dat telkens afzakt als hij het veld op rent. Tranen. Onstilbaar.

Alle emoties liggen aan de oppervlakte. Het dagelijks leven dat ze doorgaans dempt is verstoord. Ik lach meer, ik jank meer. En als ik op een ochtend met een enorm broodmes sta in te hakken op voorverpakte plakjes kaas, omdat er in dat gloeiendegloeiende handig bedoelde openmaaklipje geen millimeter beweging komt, weet ik dat er woede in me zit.

Dat woede een fase in de rouwverwerking is, maakt me trouwens ook gloeiendgloeiend pissig.

Maar op mensen ben ik momenteel nauwelijks kwaad te krijgen. Sterfte brengt een hoge mate van ongemak met zich mee. Tientallen kaarten en berichtjes krijg ik met de tekst 'Ik weet niet wat ik moet zeggen.'

We vinden het niet prettig woorden te geven aan de dood. Ik begrijp dat. Zelfs de twitterchagrijn die bromt: 'Waar is de tijd gebleven dat verdriet over onze doden alleen in de huiskamer werd gedeeld?' kan op een smiley rekenen. Want het ís ook ongemakkelijk.

Maar dat wil niet zeggen dat wij stil moeten zijn of sociaal wenselijk behoren te antwoorden dat het superdepuper gaat. Niemand die lijdt hoeft dat. Wie verdrietig is, voelt zich al alleen genoeg.

En dus janken we hardop, knallen we de ramen open, zingen keihard dat wauwelhitje Despacito, vreten een tosti met een pond kaas ín de verpakking en lachen. Heel ongemakkelijk hard. Maar wel in levenden lijve.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden