Column

Ze lonkt, lijkt dichtbij, maar blijkt ongrijpbaar en kiest voor een ander

Johan Fretz is in 2010 afgestudeerd aan de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie en is schrijver en cabaretier. Elke donderdag staat zijn column in Het Parool.

Beeld Johan Fretz

Het voelt als liefdesverdriet. Ik kan het nergens anders mee vergelijken. Het zeurende gevoel in je maag. Je probeert de gedachten weg te drukken, je haalt de tastbare herinneringen weg uit je huis, gooit ze in een doos, zet ze op zolder. Maar het gevoel blijft. Iemand roept 'Het is maar een spel', zoals iemand roept: 'Er zijn nog zoveel vrouwen op de wereld'. Zout in de wonden.

Ik liep van de Utrechtsestraat helemaal naar de andere kant van de stad, naar huis. Overal droop de Oranjemassa af. Zoals collectieve vreugde je optilt, zo slaat de collectieve teleurstelling je neer. Ik vroeg me af om hoeveel verloren Oranjetoernooien ik had gehuild? Ik huilde met Patrick en Dennis mee, met Edwin en Clarence, met Frank en Ronald, met Wesley en Arjen. Gisteren niet.

De tranen maakten deze keer plaats voor een ander, dof gevoel. Verslagenheid die zo bekend voorkwam, een gevoel dat je na verloop van tijd vergeet, maar dat je meteen weer herkent als het toeslaat. Alles went. Ik liet het maar gelaten over me heen komen. Misschien, bedacht ik, was het gevoel deze keer ook wel anders door het besef dat dit de laatste kans was om een Oranjewinst mee te maken als jongeman: dat die jongens op het veld ongeveer even oud waren als ikzelf, dat hun succes dus in zekere zin iets zou zeggen over de onoverwinnelijkheid van de jeugd. Noem het onzin, in mijn beleving schuilt in een Oranje van mijn eigen leeftijd de belofte van grootsheid.

In de collectieve Oranjevreugde schuilt meer: de schoonheid van wie we als volk kunnen zijn. We juichen even hard voor Depay als voor de Vrij, de verhitte debatten maken even plaats voor broederschap. Verbroedering van bordkarton? Misschien. Flinterdun? Zou kunnen. Maar anderzijds, stel je nu toch eens voor: dat we maar een fractie van dat gevoel van verbondenheid zouden vasthouden, dat zou het leven al zoveel aangenamer maken.

De wereldtitel blijft voor ons voorlopig die onbereikbare liefde. Ze lonkt, lijkt telkens zo verraderlijk dichtbij, maar als het erop aan komt glipt ze door de vingers, blijkt ze toch ongrijpbaar, kiest ze voor een ander. We kunnen er net niet bij. Toch blijven we reiken, kijken we reikhalzend uit naar de dag dat het ons lukt en dat zullen we blijven doen, al verstrijken er nog decennia en generaties en al zijn mijn kameraden en ik tegen die tijd al oneindig veel dikker, ouder en kaler dan de helden op het veld. Het zal er van komen.

Hoe zou het zijn? Een rondvaart door de grachten, niet voor Europees succes of voor een troostprijs, maar omdat we dat gekke gouden ding en daarmee de wereld hebben veroverd. Dat heel de hemel Oranje kleurt. We mogen blijven dromen van die dag. We zijn een klein land van grote jongens. Ergens op een trapveldje huilt vandaag het jongetje van acht dat ons lichtjaren van hier tot wereldkampioen zal kronen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden