Column

Wij zijn allemaal aan te drink, aan te werk of aan te neuk

 

null Beeld Floris Lok
Beeld Floris Lok

Ze kijkt me indringend aan, de juf van mijn oudste. 'Jullie zijn zeker benieuwd naar de score?' Van wat? Mijn zoon heeft niets gezegd, schoolformaliteiten ziet hij als een hinderlijke onderbreking van Pokémonkaarten ruilen, wijsvingergraven in zijn neus en zich met veel kabaal ter aarde storten in de hoop dat een leuk meisje oog heeft voor zijn strapatsen. 'De Cito-toets natuurlijk,' roept de lerares.

De Cito-toets. Mijn kind is vijf. Ik ben al reuze tevreden als hij bereid is zelf zijn kont af te vegen en rechtop in een stoel hutspot te verorberen in plaats van er ondersteboven poppetjes van te boetseren. Maar nee, in de klas zijn uitgebreid zijn taal- en rekenvaardigheden getest. 'Maak je niet druk. Hij heeft het geweldig gedaan,' zegt de juf glimlachend.

Ik kan niet ontkennen dat ik opluchting voel, want wat taal betreft voeden wij onze jongens uitdagend op. Over mijn eigen linguïstieke vaardigheden twijfel ik niet. Ik ben neerlandicaresse, kofschip noch fokschaap heeft voor mij geheimen. Maar ik trouwde een kneiterdyslectische Frans-Canadees die zijn eigen Nederlands heeft ontwikkeld. Zo blijft het woord pinbaampot, eh, poonbijnpaard, ik bedoel panbompiet, néé píjnboompit, een struikelblok. Ook is het voor hem logischer te zeggen dat hij aan te eet is dan aan het eten. Mijn vriendenkring heeft deze grammaticale afwijking overigens overgenomen. Wij zijn allemaal aan te drink, aan te werk of aan te neuk, (het leven in een notendop).

Het komt vast door de liefde, maar ik ben tegenwoordig dol op de creatieve oplossingen die mensen bedenken die een taal niet geheel machtig zijn. Laatst vertelde PvdA-politicus Ahmed Marcouch me dat het in zijn jeugd normaal was dat Marokkanen Amsterdamse markten aanduidden met een nummer. De Dappermarkt was souk 3, de Cuyp souk 16 en de Ten Kate souk 17. Het klonk reuze ingenieus, maar wie had de moeite genomen een heel cijfersysteem op touw te zetten?
Marcouch lachte. De nummers correspondeerden simpelweg met de tramlijn die ernaar toe ging. Overigens gebruiken velen uit de tweede- en derde generatie deze aanduidingen onderling nog steeds.

Ik vind het mooi, dit soort pragmatiek. Je redden in een taal die niet de jouwe is, vereist altijd intelligente ­inspanning, hoe handig je er ook in bent. Daarom word ik narrig als mensen mijn man, hoe goedbedoeld ook, toespreken als was hij een eenhersencellige peuter met een gehoorprobleem. Luid, overdreven articulerend vragen ze of hij wel Ne-der-lands ver-staat. Ja hoor, hij is je prima aan te verstaan. Hij lult wat raar, maar met zijn verstandelijke vermogens is niets mis.
Natuurlijk ben ik blij dat mijn zoon pijnboompit kan zeggen, al was het maar omdat het leven makkelijker is als je verbaal in de pas loopt dan wanneer je noodgedwongen een buitenbeentje bent. Maar hoe hij ook praat, ik zal hem altijd verstaan.

Laatst bracht ik mijn jongste van drie naar bed. Met een klein kraakstemmetje mompelde hij vlak voor hij in slaap viel: 'Mama, ik altijd hou van jou.'

Soms hoeven de woorden niet op de juiste plek te staan.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden