Plus

Wie waren de straatarme Joodse Amsterdammers op het Waterlooplein?

Zesentwintig Joodse gezinnen woonden in de oorlog in een rijtje van acht huizen aan het Waterlooplein. Historica Wally de Lang reconstrueerde hun identiteit en levensloop.

Het Waterlooplein, de nummers 64-78, in augustus 1944. Beeld Archief gemeentelijke dienst volkshuisvesting
Het Waterlooplein, de nummers 64-78, in augustus 1944.Beeld Archief gemeentelijke dienst volkshuisvesting

De desolate aanblik op de foto van augustus 1944 van de acht dichtgetimmerde woningen aan het Waterlooplein fascineerde historica Wally de Lang.

Die fascinatie werd sterker toen ze op een foto van amper een jaar later zag dat de meeste woningen door houtdiefstal in de Hongerwinter totaal waren verdwenen. Een hoop puin was het enige wat over was. "Toen ik die teloorgang zag, vroeg ik me af: wie woonden in die huizen? Hoe leefden deze mensen en wat is er met hen gebeurd?" zegt De Lang.

De Lang (61), historica gespecialiseerd in de Joodse geschiedenis, achterhaalde de identiteit van de 26 gezinnen die aan Waterlooplein 64-78 woonden. "Het waren allemaal Joodse families en de meesten waren straatarm. Ze woonden met hun vele kinderen op een woning van soms 23 vierkante meter," zegt De Lang, die de levensloop van de gezinnen - in totaal 114 mensen - beschrijft in haar zojuist verschenen boek Waterlooplein.

'Bitter weinig sporen'
De bewoners waren venters van groenten en fruit, lompen, boeken of kant, schoenmakers, sigarenmakers en diamantzagers.

Velen hadden geen onderwijs genoten. Sommigen hadden een winkeltje in ijzerwaren, tabaksartikelen of een koosjere kruidenierswinkel. Zeventien van de 26 families 'trokken steun'.
In de archieven zijn 'bitter weinig sporen nagelaten', schrijft De Lang in haar boek.

Dagboeken, tekeningen en brieven waren er nagenoeg niet. "De meesten konden niet schrijven en voor het laten maken van een fotoportret was geen geld. Dat kostte vijf tot zeven gulden en dat bedrag stond gelijk aan de wekelijkse huur."

Foto's van de marktkaarten en de aantekeningen in de dossiers van het gemeentelijk steunfonds waren haar belangrijkste bronnen. 'Het waren scherfjes, splinters en puzzelstukjes die een beeld creëren,' schrijft De Lang.

Levie Haringman, in de Jodenbuurt bekend als de man met de grote rode snor, met zijn kleindochter Femina op schoot in 1941. Beeld Eigen foto
Levie Haringman, in de Jodenbuurt bekend als de man met de grote rode snor, met zijn kleindochter Femina op schoot in 1941.Beeld Eigen foto

Van Jacob Kops, venter van 'allerlei', vader van vijf en woonachtig op Waterlooplein 76-III, zijn wel enkele brieven bewaard gebleven waarin hij het armenwezen om geld smeekt. 'Ik ben straatarm, mijn kinderen ontvangen gemeentevoedsel en ik ga met de lorrenwagen.' Een andere brief: 'Ik zit nu al 2 dagen zoo goed als zonder eten met mijn kindere en stelen wil ik ook niet.'

Ook voor Levie Haringman (1878), in de Jodenbuurt bekend als de man met de grote rode snor, was het flink sappelen om alle monden te kunnen voeden. De sjouwer in de haven en vader van zeven kinderen van Waterlooplein 76-I kreeg een gemeentelijke toelage van enkele guldens per week. Een ambtenaar noteerde in 1922 in het gemeentelijk steundossier over zijn bedlegerige vrouw Betje Vischschraper: 'Tbc- lijdster. De bedstede waarin zij slaapt is zeer nat, het water loopt geregeld langs de muur.'

Deportatiedata
Haringman kreeg het later als boekverkoper wat beter. Omdat hij echter van de bezetter geen Franse en Engelse boeken mocht verkopen, ging het weer bergafwaarts. 'Hulp blijft noodig,' schreef de ambtenaar in september 1942. Daarvan zou het niet meer komen. Die maand werd het hele gezin naar Auschwitz gedeporteerd.

In het boek staan de precieze deportatiedata van alle gezinnen. Het gezin van Jacob de Hond, handelaar in lege botervaten, werd als eerste - in juli 1942 - naar Auschwitz gedeporteerd. Hij had geld noch connecties om zich te redden.

Van de 114 voormalige bewoners overleefden slechts tien de oorlog. Sommigen doken onder - de zusjes Lini en Henny Polak wisten bij een razzia te ontkomen door uit het raam te springen - anderen, zoals David Blits en Sal van Gelderen, overleefden verschillende kampen.

Van het gezin Blits haalde alleen het oudste kind, de 21-jarige David, het eind van de oorlog. "Het moet daarnaast een enorme schok zijn geweest toen hij zag dat van zijn vaders winkel in tweedehands elektrische artikelen op nummer 72 niets meer over was," zegt De Lang.

De Lang heeft elke familie in een apart hoofdstuk een gezicht gegeven. De Lang: "Dit boek is een soort naslagwerk over gezinnen waar we helemaal niets van wisten."

Zeven van de tien overlevenden trokken na de oorlog weg uit de stad. De Lang heeft enkele nabestaanden kunnen traceren. "Dat waren emotionele gesprekken. Ze waren blij en gechoqueerd. Maar ook verbijsterd dat ik nog informatie over hun familie had gevonden."

Een van hen was de kleindochter van Levie Haringman. Van het grote gezin had alleen de jongste zoon, Leendert, de oorlog overleefd. Hij was met zijn vrouw en twee dochters op vier verschillende adressen ondergedoken. De Lang: "Zijn kleindochter Femina kwam met een foto uit 1941 aanzetten van haar grootvader en zijzelf. Het is het enige wat ze nog had."

Wally de Lang: Waterlooplein. De laatste joodse bewoners van de nummers 64-78. Uitgeverij Bas Lubberhuizen. €19,99.

Lees ook: Spectaculaire vondst in een kruipruimte in Zuid: een kistje met het leven van de Joodse Peter

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden