Infographic

Wie krijgt Amsterdamse stadskinderen aan het fierljeppen?

Veel kinderen die te weinig bewegen, willen wel, maar worden niet gestimuleerd. Dat zegt verzekeraar ASR, die er iets aan wil doen. Amsterdam kent het probleem.

Beeld anp

Eén op de vijf Nederlandse kinderen tussen de zeven en veertien jaar beweegt te weinig. Kinderen in die leeftijdsgroep moeten elke dag ten minste een uur sporten, spelen en ravotten, maar lang niet iedereen komt daaraan. Dat blijkt uit een recent onderzoek van marktonderzoeksbureau GfK, dat is uitgevoerd in opdracht van verzekeraar ASR. Ongeveer duizend kinderen en evenveel ouders werden ondervraagd over hun sportgewoonten.

Een derde van de ondervraagde ouders geeft aan dat zijn of haar kind liever iets anders doet (gamen bijvoorbeeld) of simpelweg geen interesse heeft in sport. Daarnaast vinden veel ouders lidmaatschap van een sportclub te duur.

Opvallend is dan ook dat van de niet-sportende kinderen dertig procent best meer zou wíllen sporten. Maar dat is niet altijd even makkelijk. Wat kinderen van thuis mee- krijgen, blijkt een belangrijke rol te spelen. Twee derde van de ondervraagde kinderen vindt dat zijn ouders te weinig sporten. En slecht voorbeeld doet volgen: kinderen van niet-sportende ouders komen veel minder vaak in beweging dan kinderen van sportieve ouders.

Actiedag
Ruim tachtig procent van de door GfK ondervraagde kinderen geeft aan wel eens een onbekende sport te willen proberen. Zij kunnen op 9 november gratis naar de landelijke actiedag van de Andere Spelen in Utrecht, georganiseerd door ASR. Hier kunnen ze kennismaken met moderne sporten als freerunnen, bossaball of trampolinespringen. Maar ook het meer ouderwetse fierljeppen (polsstokverspringen), kaatsen en zelfs sjoelen staan op het programma. Zo komen papa en mama misschien ook nog eens in beweging.

Amsterdamse kinderen scoren op sportief gebied al langer minder goed dan het landelijk gemiddelde. Daarom heeft de GGD in samenwerking met diëtisten, basisscholen en sportverenigingen sinds 2002 Jump-In, een programma dat de algehele gezondheid en leefgewoonten van Amsterdamse kinderen moet verbeteren.

Felipe Mota, coördinator: 'In Amsterdam sport 62 procent van de kinderen twee keer per week. In 2009 was dit nog maar de helft. We gaan dus wel vooruit. Jump-In geeft voorlichting over voeding en signaleert eventuele gezondheidsproblemen. Maar vooral maken we sport toegankelijker voor kinderen die daar zelf niet zo snel mee in aanraking komen. We werken daarom vooral samen met scholen waar de sportparticipatie lager is dan gemiddeld.'

Sportgedrag
Met hulp van 74 basisscholen in Amsterdam wordt jaarlijks in beeld gebracht hoe het staat met het sportgedrag van de leerlingen. Mota: 'De gymleraar speelt hierbij een belangrijke rol. Hij weet precies welke kinderen niet sporten.'

Samen met sportverenigingen in de buurt wordt een programma samengesteld om deze kinderen te laten proeven van verschillende sporten. Zo kunnen kinderen wier ouders zelf niet sporten of er niet voor willen betalen, toch op ballet of voetbal.

'Bijvoorbeeld danslessen onder schooltijd, of badminton - maar net wat de buurt te bieden heeft,' zegt Mota. 'De lessen vinden plaats op school, een veilige omgeving, zodat de drempel laag blijft. Het is aan de sportvereniging om de deelnemers vervolgens zo enthousiast te maken dat ze lid worden van de club.'

Bron: GFK / Bureau Onderzoek en Statistiek Beeld JV/Het Parool
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden