Plus Column

Weggooien is bepaald niet mijn grootste talent

Roos Schlikker Beeld Oof Verschuren

Eén, twee, drie. Met een overmoedig weids gebaar beweegt mijn arm richting prullenbak. Ik kan dit, ­communiceert mijn lichaam. Maar mijn hoofd drukt op stop. Weet ik het zeker?

Weggooien is bepaald niet mijn grootste talent. Vanmiddag komt een vriend van vroeger langs. Ik heb hem acht jaar niet gezien en ruim ons huis op. Geen idee waarom ik indruk wil maken. Beleefdheid misschien.

Al is beleefdheid de grootste vijand van vriendschap. Tegen kennissen ben je beleefd. Of bibliotheekmedewerkers. Niet tegen getrouwen.

Maar de tijd heeft ons van elkaar verwijderd, waardoor schaamte om de hoek gluurt. Schaamte om kattenharen die de eetkamerstoelen een vacht geven. Schaamte om het zelfgebouwde kartonnen toilet van de jongste dat midden in de woonkamer pronkt, inclusief wc-rolhouder. Schaamte bij een briefje met daarin een kleverig snoepje.

Maar ik krijg het niet weggegooid. Ik denk aan het kind dat het zuurtje uit haar mond toverde, het in het papiertje wikkelde, er met glitterpen scheve hartjes op tekende en het nonchalant richting mijn zoon smeet terwijl ze stuurs naar een deurplint in de klas staarde, niet in staat hem in de ogen te kijken.

Het papier is niets waard, het gebaar alles. Ik leg het plakding op de twijfelstapel en ruim verder. Maar dan sta ik met een enorme fles in mijn handen. De fles van Frans.

Frans was een van de beste vrienden van mijn vader. Toen ik nog kantoor hield in hetzelfde pand als mijn pa, kwam Frans geregeld buurten. "Huh, hoe is het?" vroeg hij.

"Nog steeds leugens aan het schrijven? Ga toch een vak leren." Zijn gemopper raspte door de gang. "Ik maak maar een geintje," bromde hij vervolgens, terwijl hij met zijn hand een wegwerpgebaar maakte.

Ik was erop gesteld, die kleine gesprekjes, de ironische toon. Zijn interesse was oprecht, maar hij wist het te versluieren in een prettig soort achteloosheid.

Onbehouwen was hij. Onbeleefd wellicht. Maar vooral niet gemaakt. En daarom zo fijn in de omgang.

Op mijn 21ste verjaardag was hij toevallig ook op kantoor. Hij stopte me een zwaar voorwerp toe. "Hier," bromde hij. "Heb je ook eens wat te zuipen." Meteen draaide hij zich om en slofte weg.

Toen zag ik wat ik gekregen had: een drie literfles Grand Cru uit mijn geboortejaar, 1975. Een prachtcadeau, maar hij gaf het me alsof het een blikje cola was.

Afgelopen week werd ik 44. Frans kwam niet langs. Die is al jaren dood. Ik heb de wijn nooit geopend. Nu ik in de fles staar, zie ik een waterig residu van ooit. Ongetwijfeld niet meer te zuipen.

Maar dan neem ik een besluit. Ik zet de fles prominent neer, pal naast de knutselplee. Ervoor leg ik de ­verkleefde liefdesverklaring aan mijn kind als was het een museumstuk. Straks komt mijn vriend van vroeger.

"Let niet op de troep," kan ik roepen, maar ik doe het niet. Let vooral wel op de troep. Want die troep is mijn wereld. En wat achteloos gegeven lijkt, mag soms levenslang worden bewaard.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden