Column

We zagen Brood als een soort astronautcowboy

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (36) probeert in Het Parool van maandag, woensdag en vrijdag iets van het leven te begrijpen.

James Worthy Beeld Agata Nowicka
James WorthyBeeld Agata Nowicka

Ik wist wel dat hij in de buurt woonde, maar ik had hem nog nooit gezien. Niet van dichtbij in elk geval. Soms zag ik hem wel in de verte over bruggen en langs kades schuifelen, ontvleesd en vol verfresten, maar echt vlakbij was ik nimmer gekomen.

Met een mes probeerde ik het logo van een Frans automerk van een auto los te peuteren. Het was een oude Renault. Twee buurtvrienden stonden op de uitkijk, maar ze zagen hem kennelijk niet.

"Dit is niet goed hè, jongens?"

Ik wilde wegrennen, maar toen zag ik dat hij het was. Dik haar, dun lichaam. Het was nog geen middag, maar hij rook al naar drank. Goedkope drank. Van die drank die je enkel drinkt als je dronken wilt blijven. Dat je op een zoektocht naar alcohol gaat en alleen maar flessen kan vinden die je niet had willen vinden. Maar je drinkt het toch op, omdat je nog niet klaar bent voor vandaag en je gisternacht nog even wilt verlengen.

"Dit is niet goed hè, jongens?" herhaalt hij.
"We zullen het nooit meer doen, meneer Brood."

"Nee, zo bedoel ik het niet. Ik bedoel dat jullie niet goed bezig zijn. Dat jullie een veel groter mes nodig hebben. Wacht, ik pak wel een mes voor jullie. En dan doe ik het wel even voor."

Met een Rambo-mes plukte hij het logo van de auto en op dat bewuste moment was hij de coolste man die ik ooit had gezien. Hij rook naar kerstpakketwodka en op zijn witte hemdje zaten zo veel bloedvlekken dat het kledingstuk op een slagersschort leek, maar toch zagen we hem als een held. Als een soort astronautcowboy. De man lag languit in de goot en toch keken we naar hem op. Ik vond het zo intrigerend. Het leek erop alsof hij zich pas heel kon voelen als hij kapot was.

Een jaar later zag ik hem voor de tweede keer. Hij liep over de Overtoom als een met koorts dansende koorddanser. Meneer Brood was de koning van de stad. Zijn aders waren beurs van de amfetamine en daarom had hij blauw bloed. Ik vond zijn muziek overigens kut en zijn schilderijen ook, maar ik vond hem het einde. Dat wat iemand is, is veel belangrijker dan dat wat die persoon maakt of doet.

De derde keer dat ik hem zag, zat er een papegaai op zijn hoofd. Ik weet nog dat ik aan hem vroeg waarom er een papegaai op zijn hoofd zat en toen zei hij: "Als je helemaal niet wilt opvallen, moet je juist opvallen."

Ik kijk nog steeds omhoog als ik langs het Hilton Hotel loop. Ik zie het ook helemaal niet meer als hotel, maar als een soort herdenkingsmonument met onnodig veel ramen. En ik zie het als vrijheidsbeeld. De vrijheid om eenzaam te zijn. De vrijheid om anders te zijn. De vrijheid om kinderen te maken. En de vrijheid om te springen.

Het is vijftien jaar later. En het is nog steeds stil in Amsterdam. Je kan er een naald horen vallen.


james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden