Column

We wonen in Amsterdam, we zijn wel wat gewend, toch?

Roos SchlikkerBeeld Linda Stulic

De kogelgaten loeren als zwarte ogen de Haarlemmer­straat in. Restaurant Green House Kitchen is vannacht beschoten. Buurtbewoners drentelen ongelovig op de stoep. Ontdaan.

Net als ik, tot mijn eigen verrassing. Kom op: we wonen in Amsterdam, we zijn wel wat gewend, toch? Maar wanneer de buurt waarin je je veilig waant als schietterrein wordt gebruikt, voelt dat alsof inbrekers met vette vingers aan je ondergoed hebben gezeten: smerig en bedreigend.

Natuurlijk zijn er scharrige straatdealers, uitgewoonde Airbnb's en stoepschijtende zwervers, maar voor mij is dit Jordaanrandje een dorp, inclusief een café-eigenaar die kinderen standaard 'een likkoekie' (café noir) geeft, de poelier met de lekkerste kippetjes en mijn slijter die weet welke chardonnay ik blief. Grootstedelijke gettotoestanden lijken hier ver weg te zijn.

Onzin natuurlijk. Ik weet dat als geen ander. Want plotseling stonden een paar jaar geleden potige mannen voor mijn huis. Even daarvoor werkte ons slot niet goed meer. Als je er tegenaan duwde, sprong de deur open.

Mijn man ging aan de slag met nieuw slot en boor. De eigenaresse van de kledingwinkel beneden klaagde. Door het geklus was een scheurtje ontstaan in haar muur. Zich hevig verexcuserend stuukte mijn man de gaatjes dicht.

Ach, we kenden de buurvrouw wel. Ze kon nogal zeuren. Ooit wilde ze per se een hekwerk voor ons beider buitendeuren. Voor de veiligheid.

En onlangs maakte ze bezwaar dat de hoofdkraan en de elektrakast zich in onze gang bevonden. Stel dat zij lekkage zou krijgen en wij waren niet thuis? Het werkte op onze lachspieren.

Deze oudere, onhandige dame zou die kraan niet eens open krijgen, vermoedden we. Toen kwam ik thuis en stond de halve Amsterdamse politiemacht potig mijn stoep af te zetten met linten. "We ruimen een plantagetje op, meissie."

Op dat moment waaide hij mijn neusgaten in. Die onmiskenbaar kruidige geur.

Mijn moeder snoof bij ons op de gang ooit de wietlucht op van de joint van een andere buurman en zei toen stralend: "Leuk, die jongen houdt van Indonesisch koken!" Nu rook mijn huis alsof ik eigenaar was van rijsttafelrestaurant Goena Goena.

Er werden planten naar buiten gesjouwd. Gigantische lampen. Een afzuiginstallatie. In de kelder bleek onze buuf een volledige wietplantage te hebben gerund.

Dat zorgelijke tiepje dat tweedehands tasjes verkocht. Dat vrouwtje met die schattige hond. Deze tante werd nu geboeid een politiebus ingeduwd. "Je hebt geluk dat er nooit een fik is uitgebroken," bromde de leider van het arrestatieteam.

Weg was mijn naïef tuttige Amsterdamdroom. We mogen denken dat we in een dorp wonen, maar onder het oppervlak schuilen wietplantages. En erboven staren kogelogen leeg de straat in.

Met mijn kinderen fiets ik langs Green House Kitchen. De tent is dichtgetimmerd. Ik trap door. Bij de school van mijn oudste wemelt het van de politie. Ik schrik. Wat nu weer? Een leerkracht gromt: "Ze controleren ouders die dubbelparkeren. Goddank, het is toch schandalig, al die foute auto's?"

Ik glimlach. Even is het dorp niet ver weg. Ik ga een pak likkoekjes kopen.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool. Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden