Wanneer het gaat om de dood, ben ik niet moedig

PlusTheodor Holman

De nacht in de stad blijft koud. De wind uit het noorden is een gifslang om mijn nek en keel: de kop van de cobra wil zich soms via mijn hals en mijn borstkas bij mijn hart ­leggen. Verdomme, waarom heb ik geen das omgedaan? Straks heb ik een kou opgelopen en raak ik weer in paniek.

Het nieuwe coronavirus richt ook schade aan zonder dat je er al last van hebt. Knap, dat je door het denken aan een woord al vrees kunt ­hebben.

Dat overkomt me ook met het woord dood. Doodsgedachten – ik heb er te veel last van – blazen humor weg en leggen je lam.

Ik denk toch anders over het sterven dan een paar jaar geleden.

Enkele familieleden, wat vrienden en vriendinnen besloten tot een moedige euthanasie en elke keer stelde ik me voor hoe ik dat zou doen, maar iets ongezonders dan je voorstellingsvermogen inzetten om je je laatste minuten te verbeelden, is er niet.

Men mag het mij verwijten, maar ik kan niet moedig zijn. Integendeel. Wanneer het gaat om de dood, staat het pak van de lafaard mij het best. Mijn moeder had dat ook.

“Mam, jij was zo bang voor de dood, waarom legde jij dan lijken af in het kamp?”

Ik kan het wel vragen, maar een antwoord krijg ik niet.

Iets begrijp ik er wel van. Voor lijken heb ik geen vrees. Of het nu mensen zijn, honden of katten, muizen of merels – ik ruim ze op. Een lichaam waar de dood is ingetrokken, lijkt op een gedicht: tussen de regels speelt zich iets mysterieus af, je zult het nooit begrijpen.

“Ik wil geen euthanasie, schat, ik vind het ook een rotwoord,” zeg ik tegen Koos, die het heerlijk vindt om diep in de nacht over de grachten te dwalen. Ik gebruik hem als ­aantekenboek, want ik wil het straks tegen mijn vrouw en kind zeggen.

Lopen, wat ik doe, is ook stiekem hopen en vrezen dat je opeens in een andere wereld terechtkomt. Je gaat de hoek om en misschien ligt daar het avontuur, misschien de dood. Dat de dood je daar opwacht, wordt elk jaar waarschijnlijker.

Je loopt, ontloopt, loopt, ontloopt.

De zon wordt langzaam de stad binnen­getrokken; zo wordt de duisternis weg­gejaagd. De wind blijft ruziemaken met de kou.

In mijn kop roeren drie heksen in een pan met drek.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden