Max Pam en Paul BrillBeeld Artur Krynicki

Waarom wordt in ouderenpartijen zoveel ruzie gemaakt?

PlusOm de wereld

Eén kwestie, twee visies: de Amsterdamse blik en een mondiale kijk op de actualiteit. Deze week: de ruzies der ouderen.

Max Pam: Neergang en schuld

Amsterdam telt zo’n 100.000 ouderen, ongeveer een negende van alle inwoners. Maar de gemeenteraad, bestaande uit 45 zetels, telt slechts één zetel voor een specifieke ouderenpartij. Die wordt momenteel bezet door Wil van Soest (82). Ze is de fractieleidster zonder fractie van de Partij van de Ouderen (PvdO). Door de coronacrisis zit ze alleen thuis. Samenwerking met 50Plus, die andere ouderenpartij, is nooit ­helemaal van de grond gekomen.

Kennelijk is politieke samenwerking tussen ouderen een groot probleem: altijd ruzies, altijd royementen. Er wordt weleens beweerd dat mildheid en wijsheid komen met de ouderdom, maar als je ziet hoe leden van ouderenpartijen met elkaar omgaan, dan lijkt het er meer op dat bij het ouder worden voornamelijk de koppigheid toeneemt.

Het is in 1993 begonnen bij de oprichting van het Algemeen Ouderen Verbond, dat was voortgekomen uit de Ouderenunie en de Verenigde Senioren Partij. Het jaar daarop behaalde het AOV vanuit het niets zes zetels in de Tweede Kamer. Onmiddellijk begon het geëtter en het gerotzooi. De partij knalde uit elkaar en als ­kippen stoven de afsplitsingen alle kanten op.

In 2009 probeerden Jan Nagel, Alexander Münninghoff en Maurice Koopman het opnieuw met de oprichting van 50Plus. Nagel en Münninghoff ken ik als gezellige schakers en drinkebroers. Ze zijn nog bij mij geweest om te vragen of ik mee wilde doen, maar ik zie niets in ‘one issue’-­organisaties. Ondanks de naam is zelfs omroep Max mij niet sympathiek.

Ook bij 50Plus is nadien alleen maar gedonder geweest. Jan Nagel trad af, kwam weer terug en trad weer af. Met Henk Krol, die andere ­comeback kid en tevens fractievoorzitter, is ook altijd wat aan de hand. Een joviale vent, maar niet helemaal koosjer. En nu, terwijl de wereld zucht onder een dodelijke pandemie en veel ouderen werkelijk worden geconfronteerd met een levensbedreigende ziekte, wordt binnen 50Plus ruziegemaakt tot in de diepste haarvaten. Dat is niet alleen ongelooflijk, het is beschamend. Als er ooit een geldige bestaansreden was voor een ouderenpartij, dan is het wel in deze dagen. Helaas, liever vecht men een interne machtsstrijd uit.

Je zag het aankomen bij de entree van partijvoorzitter Geert Dales, die de boel ging schoonvegen. Dales gedroeg zich als een dompteur van wie je weet: eens wordt hij doodgebeten. Dat kan morgen al gebeuren, maar ook overmorgen.

Blijft de vraag waarom in ouderenpartijen zoveel ruzie wordt gemaakt. Ik denk dat het komt omdat het ouder worden niet echt leuk is en dat je van die neergang niemand de schuld kunt geven. Dan kom je uit bij elkaar.

Paul Brill: Interne twisten

Zoals ik lange tijd heb gedacht dat de ­Partij voor de Dieren een puur Nederlands luxeverschijnsel was, zo leefde ik tot voor kort in de veronderstelling dat in geen enkele andere democratie een partij als 50Plus voldoende electorale weerklank zou hebben gekregen. Een dubbel misverstand. Er zijn her en der partijen die zich exclusief of althans hoofdzakelijk inzetten voor dierenrechten. En je hebt of had in verschillende landen partijen die bij uitstek opkomen voor de belangen van ouderen.

De Vlamingen konden twintig jaar geleden al stemmen voor Waardig Ouder Worden; de partij wist in een aantal gemeenten een raadszetel te veroveren. In Italië bestaat de Partito Pensionati, die ooit was vertegenwoordigd in het Europees Parlement en zich in 2018 heeft gelieerd met ­Forza Italia van Silvio Berlusconi. In Slovenië is er zelfs een ouderenpartij die deel uitmaakt van de regeringscoalitie.

Wat je bij een digitale zoekactie naar al die ­partijtjes ook snel merkt, is dat ze buitengewoon vatbaar zijn voor interne twisten. Plus dat ze een bijzondere aantrekkingskracht uitoefenen op opgeblazen ego’s die in grotere partijen niet aan hun trekken zijn gekomen. Het lijkt een wet van Meden en Perzen: naarmate een splinterpartij een smallere weg bewandelt en verder is ver­wijderd van machtsuitoefening, wordt de kans op scheuring groter.

Grote, gevestigde partijen zijn evenmin gevrijwaard van onenigheid en trammelant, maar ze kunnen dat beter absorberen. Zeker als de partij de persoonlijke kwaliteiten van een kopstuk evenzeer op waarde weet te schatten als zijn of haar ideologische bagage.

Denk aan Winston Churchill, die twee keer van partij wisselde. In 1904 stapte hij over van de Conservatieve naar de Liberale partij, om twintig jaar later weer toe te treden tot de Torygelederen. Met zijn polemische instelling en oratorische talent was hij voortdurend het voorwerp van rumoer en controverse. Aan vijanden en critici had hij geen gebrek.

Als oorlogspremier wist hij dit alles achter zich te laten en boven zichzelf uit te stijgen. We worden er dezer dagen nog eens aan herinnerd hoe cruciaal dat was, nu we in een crisis te maken hebben met de leider van een supermacht die het presteert om (nog verder) onder zichzelf weg te zakken.

Overigens kan de overstap naar een andere partij je ook levenslange hoon opleveren. In de jaren vijftig liep de Republikeinse senator Wayne Morse over naar de Democraten. “Nu schiet het intelligentiequotiënt van beide partijen omhoog,” reageerde de Republikeinse coryfee Clare Boothe Luce, vermaard om haar scherpe tong. Morse heeft nog een keurige loopbaan gehad, maar die ijzersterke sneer heeft hem overleefd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden