column

Waar in hemelsnaam is Iwan de Indiaan?

Mano Bouzamour (1991) publiceerde eind 2013 zijn debuutroman De Belofte van Pisa. De film-, theater- en hoorspelrechten van het boek werden verkocht, en ook verschijnt de roman in 2016 in het Duits en Spaans. Elke zondag lees je hier zijn column uit Het Parool.

null Beeld Floris Lok
Beeld Floris Lok

Iedere keer als ik behendig op mijn scootertje door de Ferdinand Bolstraat tussen de fietsers en overstekende voetgangers slalom, vraag ik mij twee dingen af.

Wanneer in jezusnaam is deze straat klaar?
En waar in hemelsnaam is Iwan de Indiaan? De dronkenlap met zijn zelfgemaakte indianentooi die schreeuwend door de straten van de stad slenterde. Met zijn verweerde leren jas met franjes op de voor- en achterkant, die beweeglijk dansten tijdens zijn wilde handgebaren. Zijn vrolijke verensjaals die hij geïrriteerd om zijn nek sloeg als de wind ze verwaaide.

Vroeger speelde hij op zijn ontstemde gitaar voor de Hema, terwijl hij onsamenhangende teksten zong. Hij hield van dat aftandse instrument. Hij schonk er veel aandacht aan: hij speelde de snaren stuk, plakte plaatjes op de klankkast en graveerde er namen in, waarschijnlijk van vrouwen die hij meenam naar zijn met bierblikjes bezaaide zolderkamer en met wie hij de nacht doorbracht. De man had oog voor kinderen - waarschijnlijk omdat hij zelf nog kind was. Als ik met mijn moeder langs hem liep om tompoezen te halen, laste hij een korte pauze in. Hij pakte de gitaar bij de hals, glimlachte naar mij en nam een slok uit het gigantische blik goedkope bocht dat hij met zijn bij elkaar gesprokkelde royalty's bij de slijterij van de Dirk van den Broek aan het Heinekenplein had gekocht.

Mijn moeder trok mij dan snel naar binnen, door de zware glazen deur, naar de bakkersafdeling achter in de winkel, terwijl zij hoofdschuddend een gebedje prevelde aan Allahs adres, opdat de zingende zondaars gauw naar het juiste pad worden geleid.

Toen ik puberde, kwam ik hem nog weleens tegen als ik samen met mijn vriendjes straten onveilig maakte. Dan was hij aan het vloeken en tieren tegen een automobilist die hem vier straten terug bijna had aangereden. Maar wanneer hij ons zag, veranderde hij in een aardige meneer en stak hij zijn grote hand uit. Maar wij gaven hem een boks. Hoe tof wij hem ook vonden om zijn tegendraadsheid, zijn vieze vlezige vingers met bruine nagelriemen wilden wij liever niet aanraken. We vroegen hem iets voor ons te spelen. Een liedje waarmee hij de vrouwen verleidde. Dan zong hij een onwijs vals liedje vol scheldwoorden. Pakte hij na tien tellen de indianentooi van het hoofd en smeten we wat muntgeld erin om zijn alcoholverslaving en zangtalent te stimuleren. We waren meanderende mecenassen van de zwerverskunsten.

Ik heb de gitaarspelende indiaan jaren niet gezien. Hij is de grijnzende bewaker van mijn vroegste jeugdherinneringen. De dorpsgek van de stad. Hij is de belichaming van de buurt, de vroegere, ongekunstelde rauwheid van de Albert Cuyp. Tijdens de strenge winters verschanst hij zich vast in warme cafeetjes aan het Sarphatipark. Als ik aan De Pijp denk, denk ik aan hem.

Als ik de verloren vriend ooit zie, schud ik hem de hand.

Wilt u reageren op deze column? Dat kan. Scroll (een beetje) naar beneden om een reactie te plaatsen of stuur een mail.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden