Plus

Voorpublicatie boek Astrid Holleeder: over familiebanden, loyaliteit en verraad

Astrid Holleeder keert terug naar de Jordaan in het begin van de jaren zeventig, en schetst een ontluisterend portret van een tirannieke vader die zijn gezin overheerst en mishandelt. Lees hieronder een deel uit haar boek 'Judas', dat zaterdag verschijnt.

Het gezin Holleeder, thuis in de Eerste Egelantiersdwarsstraat in de JordaanBeeld Archief van Stien Leipoldt

Fragment uit het hoofdstuk 'Mama' (1970):

Ik leefde in de veronderstelling dat mijn thuissituatie normaal was, dat alle vaders waren zoals mijn vader. Pas toen ik acht jaar oud was, kwam ik erachter dat dat niet het geval was. Ik ging spelen bij Hanna. Zij was gedurende de hele lagere school mijn beste vriendinnetje. Zij was het kleinste meisje van de klas en ik het langste. Elke dag haalde ik haar van huis op om samen naar school te gaan, de Theo Thijssenschool in de Westerstraat. Zij woonde op een bovenwoning en ik was nog nooit bij haar geweest.

Spelen deden wij altijd buiten op straat, maar die dag vroeg ze me bij haar thuis te komen spelen. Haar moeder, oma en zusje waren er ook. We waren druk een dansje aan het oefenen om op het schoolplein te laten zien, toen de deurbel ging. Alle vier riepen ze in koor: 'Papa is thuis!' Ik trok wit weg en begon over mijn hele lichaam te trillen. Papa is thuis? Er komt nu een papa naar boven? Ik raakte volledig in paniek en keek rond waar ik me kon verstoppen. Maar dat ging niet. Zij begrepen niet waarom ik plotseling door de kamer begon te rennen en zeiden dat ik niet zo gek moest doen.

'Ga zitten,' zei Hanna, en duwde me in de bank. 'Papa is er.' Ja precies, papa is er. Dat was nu net het probleem. Hanna's oma sloeg haar arm om me heen en zei: 'Gezellig, hè?' Gezellig? Helemaal niet! Ik hoorde voetstappen de trap op komen, zag de deur opengaan en daar stond een man met een blij gezicht. 'Hallo, lieve kinderen.'

Hij zoende zijn vrouw en om de beurt zijn koters. Zij leken het allemaal echt leuk te vinden. Wat was hier aan de hand? Tot overmaat van ramp liep hij op me af. 'Dag, moppie. Zijn jullie leuk aan het spelen?' Ik kon geen woord uitbrengen en Hanna zei: 'Ja, papa. Kijk, we kunnen een dansje.' Ze danste en sprak heel blij tegen haar vader en haar vader praatte vrolijk terug. Ik had nog nooit met mijn vader gesproken, ik kan me niet één dialoog met hem herinneren. Het was altijd alleen maar eenzijdig geschreeuw. Maar het kon dus ook anders, ik zag nu met eigen ogen dat vaders ook leuk konden zijn.

Vanaf die dag wist ik dat mijn vader niet was zoals een vader hoorde te zijn en bad ik elke avond voor het slapen gaan tot God om hem te vragen of mijn vader alsjeblieft dood kon gaan. Maar mijn gebeden werden niet verhoord. Allemaal wensten we hem dood, hoopten dat hij een ongeluk zou krijgen of tegen de verkeerde aan zou lopen, maar dat gebeurde niet.

We zaten met z'n allen opgesloten in de gekte van mijn vader. We behandelden elkaar zoals mijn vader mijn moeder en ons behandelde. Als een van ons de woede van mijn vader over zich af had geroepen, kon hij of zij niet op medelijden van de anderen rekenen, integendeel: diegene had daarmee de ellende voor de anderen veroorzaakt. 'Jouw schuld!' werd er dan geroepen, terwijl we wisten dat het gedrag van mijn vader op pure willekeur berustte.

Boos worden op mijn vader was onmogelijk en dus werden we boos op elkaar, verweten elkaar een situatie waar we geen van allen iets aan konden doen. We waren gespannen kinderen, en de constante dreiging in huis maakte dat er geen ruimte was voor verdraagzaamheid en begrip voor elkaar. Het geweld van mijn vader sijpelde door alle lagen van ons gezin en doordrenkte ons allemaal. Agressie en geweld waren een manier van communiceren geworden. Als kinderen waren we thuis allemaal agressief en in meer of mindere mate gewelddadig tegen elkaar.

Astrid Holleeder op de rug van haar broer WillemBeeld Archief van Stien Leipoldt

Generatie op generatie
Zo ging dat. We wisten niet beter. Het geweld ging over van generatie op generatie. Mijn vader sloeg mijn moeder. Naar het voorbeeld van mijn vader sloeg mijn broer Wim mijn zus Sonja. En mijn broertje Gerard sloeg mij. Zelf begon ik nooit met vechten, want ik wist dat ik het toch nooit kon winnen. Niet van mijn vader, niet van mijn broer en niet van mijn broertje. Ik was de kleinste en ook nog eens een meisje en hoe hard ik ook mijn best deed om een jongetje te zijn, ik kwam altijd kracht tekort.

Mijn broertje Gerard en ik vochten elke dag. Als mijn vader en moeder na het eten hun dagelijkse wandeling maakten, was dat het startsein voor Gerard om met mij te beginnen. Elke avond voltrok zich hetzelfde ritueel, elke avond speelden Gerard en ik vader en moedertje. Hij deed - onbewust - mijn vader na en ik moest zeggen dat hij de baas was, zoals mijn vader mijn moeder altijd liet zeggen dat hij de baas was. Deed ik dat niet dan kreeg ik klappen, net als mijn moeder. Ik deed dat niet. Ik kon het niet. Ik incasseerde de klappen, maar ik pakte hem wel terug. Hij was misschien sterker, maar ik was slimmer.

Gerard was een schuchtere jongen. Hij zei vrijwel nooit iets. Zodra je hem aankeek, sloeg hij dicht. Ik was twee jaar jonger, maar wel een stuk brutaler en nam altijd het voortouw. Ik regelde alles voor hem. Zo zette ik mijn fysieke achterstand om in geestelijk overwicht. Ik maakte gebruik van zijn zwakten. In ruil voor informatie over het meisje dat hij leuk vond wilde ik zijn zakgeld hebben, 50 cent per dag. Hij gaf het, want hij durfde niet tegen haar te praten. Als ik zijn 50 cent in mijn hand had, genoot ik van de macht die ik over hem had. Ik was liever dader dan slachtoffer. (...)

We hadden als gezin geen sociaal leven. Mijn vader had geen sociale contacten en mijn moeder mocht ze niet hebben. Er kwam nooit visite, er waren nooit feestjes, elke verjaardag of feestdag was een hel en we zagen daar alleen maar tegenop. Bij ons thuis werd nooit gelachen, mijn vader gunde ons geen plezier. Als wij vrolijk waren, verpestte hij de stemming.

Hij was er altijd op uit ons het leven zuur te maken. En zo was ons leven dan ook: zuur. Wim had inmiddels de leeftijd bereikt dat hij naar de middelbare school ging. Hij was uitgegroeid tot een lange, knappe jongen met donkerbruin haar dat prachtig afstak tegen zijn mooie, grote blauwe ogen. Hij ging trainen op een sportschool, werd gespierder, steeds meer een man. Zijn wereld beperkte zich niet meer tot die paar straten rondom ons huis, hij begon zich meer en meer buiten ons kleine wereldje te begeven en kwam zo in aanraking met allerlei mensen, waardoor zijn beeld van onze vader veranderde. Hij begon zich af te zetten tegen diens regels.

Wim weigerde langer te voldoen aan de eisen die vader aan ons stelde. De aantrekkingskracht van de wereld buiten het gezin werd groter en groter, want buitenshuis was het wel leuk, en wel gezellig. Wim liet het zich niet langer onmogelijk maken er een eigen leven op na te houden en ging zijn eigen weg. Hij kwam vaak te laat thuis. Ik keek omhoog naar het raam waar ik vroeger lag te slapen en waar Wim mij wakker maakte om te vragen of mijn vader al sliep. 'Assie, slaap je al?' fluisterde Wim zachtjes in mijn oor. 'Nee,' fluisterde ik terug. Ik had de hele avond wakker gelegen tot het schreeuwen eindelijk ophield en mijn vader naar boven ging. Maar ook toen lukte het niet de slaap te vatten. Gerard en Sonja sliepen inmiddels al wel, maar ik lag nog steeds wakker toen Wim de kamer binnen sloop.

Willem en Sonja HolleederBeeld archief van Stien Leipoldt

'Is papa al naar bed?' fluisterde hij.
'Ja, allang,' zei ik.
'Was hij weer gek?'
'Ja.'
'Ging het over mij?'
'Ja, hij schreeuwde dat je te laat thuis was, maar mama had de klok teruggedraaid. Dus hij heeft je niet betrapt.'
'Mooi zo.'

Het was niet de eerste keer dat mijn moeder de klok verzette en het zou niet de laatste keer zijn. Wim had dankzij haar weer eens mazzel gehad. Hij ging nauwelijks naar school, maar slaagde er wel in geld te verdienen. 'Kijk As,' zei hij, 'hier verdien ik mijn geld mee,' en hij stopte een bruinkleurige, vettige brok in mijn handen. Ik wist niet wat het was, alleen dat het stonk, maar Wim verdiende daar geld mee, dus was het goed. Ik was blij voor hem.

Met het verdienen van geld nam zijn onafhankelijkheid toe. Die groeiende zelfstandigheid stuitte op hevig verzet bij mijn vader, die met een nog grotere verbetenheid zijn 'regels' ging handhaven. Het kwam Wim telkens op klappen te staan. Mijn moeder had het zwaar met haar zoon, die de regels van zijn vader aan zijn laars lapte en zich ontwikkelde naar het evenbeeld van haar man. Zo kreeg ze het van twee kanten te verduren.

Ze wist zich geen raad. Sinds hij op de middelbare school zat, was haar zoon veranderd. In de omgang was hij nors en onaardig en net zo onberekenbaar en agressief als zijn vader. Corrigeren kon ze hem niet, hij had maling aan haar. Hij wist dat ze nooit de hulp van mijn vader in zou roepen. Ze zou haar zoon nooit uitleveren aan die gek. Om hem te beschermen tegen de klappen van zijn vader bedekte ze al zijn wangedrag.

Duivels dilemma
Wim wist met welk duivels dilemma hij zijn moeder had opgezadeld en maakte daar gebruik van. Hij deed waar hij zin in had en vroeg altijd om geld. Hij had nooit genoeg. Als mijn moeder weigerde, werd hij gewelddadig en sloeg gaten in de deuren en muren. Hij ontwikkelde net als zijn vader een ziekelijke jaloezie en sloeg al zijn vriendinnetjes in elkaar. Als mijn moeder er wat van zei, werd hij nog agressiever en begon nog harder te slaan. Ze kon maar beter haar mond houden. Ik was bang voor zijn agressie en probeerde hem te ontwijken, zoals ik mijn vader ontweek.

Zoals elke zondag op bezoek bij opa en oma Holleeder, 1969.Beeld Archief van Stien Leipoldt

In de tijd dat Wim naar de middelbare school ging, nam hij overdag, als mijn vader er niet was, Cor mee naar huis. Ze zaten allebei op de Van Houweningen-mavo en kwamen tussen de middag brood met Hema-worst eten, dat mijn moeder voor ze klaarmaakte. Ik vond het altijd gezellig als Cor er was. Hij maakte grapjes en was van nature vrolijk. Als Cor er was, verdween de spanning in huis om plaats te maken voor gezelligheid.

Cor stond heel anders in het leven dan Wim. Hij nam alles licht op en zag altijd oplossingen. Hij maakte 'van iedere narigheid een kleinigheid', was in staat van het leven te genieten en Wim keek die kunst bij hem af. Wim won er aan vrolijkheid door. Als Wim alleen was, ontweek ik hem altijd, maar in de combinatie met Cor was Wim best leuk. Cor stak de draak met al onze gebreken en gaf ons allemaal een bijnaam.

Hij noemde Wim 'De Neus', vanwege zijn grote neus. Mijn vader noemde hij 'De Kale', omdat hij afgezien van een klein kransje haar rondom zijn schedel geen haar meer had. Al snel werd dat 'De Kale Gek' vanwege zijn bizarre gedrag. Mijn moeder noemde hij heel brutaal bij haar voornaam: Stientje. Sonja noemde hij 'Boxer', omdat ze aan kickboksen deed en zich van hem afsloeg als hij haar probeerde te versieren. Gerard noemde hij 'De Deuk', om een deukje in zijn neus dat hij aan de waterpokken had overgehouden. En ik was heel voorspelbaar 'De Professor', omdat ik goed kon leren.

Mijn vader had een hekel aan Cor, die niet onder de indruk van hem was en om zijn geschreeuw en getier stond te schaterlachen. De Kale had geen greep op hem en ook steeds minder op Wim. Hij kon die ondermijning van zijn dictatuur niet aan en wilde Wim het huis uit hebben. Toen Wim vertrokken was zagen we hem alleen nog overdag als hij met Cor bij mijn moeder kwam eten. Dat had hij goed voor elkaar, vond ik. Hij was ontsnapt aan mijn vader. Dat wilde ik ook graag. Dus bad ik nog steeds elke dag tot God of mijn vader alsjeblieft dood kon gaan. Tevergeefs. Ik moest wachten tot ik oud genoeg was om uit huis te kunnen gaan.

Het Parool publiceert drie fragmenten uit Judas, de 'familiekroniek' van Astrid Holleeder over familiebanden, loyaliteit en verraad. Hoe is het om op te groeien met een criminele broer die ook zijn familie terroriseert en afperst? U kunt meer lezen in de krant van zaterdag, voor abonnees digitaal of op papier.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden