PlusInterview

Voormalig directeur Rijksmuseum Henk van Os (78): 'Mijn leven is absurd'

Hij werd al jong gegrepen door de kunst, en dreigde: 'Pa, als ik geen kunstgeschiedenis mag studeren, word ik gigolo.' Henk van Os (78), voormalig directeur van het Rijksmuseum, neemt afscheid van de Universiteit van Amsterdam.

'Het idee dat je straks goed zit als je nu goed doet, dat vind ik echt vreselijk. Ik weet dat ik nu mensen beledig, maar ik vind het ordinair, een soort Hema-geloof'Beeld Friso Keuris

Op een regenachtige dag in november is Henk van Os aan het werk in zijn kamer in het Maagdenhuis. Door de hoge ramen ziet hij aan de overkant van het Spui de huizen van het Begijnhof. De lantaarns branden al, de straat glimt. Hij glijdt weg.

'Het is net alsof ik naast mezelf sta en meemaak wat mijn "alter ego" overkomt,' schrijft hij later aan zijn zoon Pieter. 'Het is wat mystici adequaat beschrijven als "ek-stasis," de toestand die ontstaat wanneer je buiten jezelf bent getreden.'

"Daar zat ik," zegt hij en wijst naar zijn statige bureau. "Ik had de hele dag zitten werken en opeens gebeurde er iets waardoor ik oploste in mijn omgeving. Ik sliep niet, maar ik raakte in trance. Na een uur en een kwartier werd ik opgeschrikt door de luidspreker. We moesten het gebouw uit."

Het was het moment dat u als Groninger van Amsterdam leerde houden.
"Je moet zo'n ervaring niet onderschatten. Het is niet zomaar iets vrijblijvends. Ik heb het ook gehad in Smith College in Massachusetts en in Siena, plaatsen waar je altijd weer naar terug wilt. Het is wat romantici hebben: een visioen."

Bent u zo'n romanticus?
"Dat mag je wel zeggen, ja."

Van Os, eminent kunsthistoricus, heeft een lange en indrukwekkende carrière achter de rug. Hij was hoogleraar kunst- en cultuurgeschiedenis in Groningen en van 1989 tot 1996 directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam. Nationale bekendheid kreeg hij als presentator van de televisieprogramma's Museumschatten en Beeldenstorm (1990-2006), waarin hij op uiterst enthousiaste wijze de kijkers deelgenoot maakte van zijn fascinatie voor kunst.

Volgende week neemt hij afscheid als universiteitshoogleraar van de UvA, een positie die hij deelt met de allerbesten in hun vak.

Heeft u moeite met ouder worden?
"Ach, de kwaaltjes die ik heb zijn gemakkelijk met pillen te beheersen. Een dagelijkse voorraad van een stuk of tien."

Dat is niet direct waar ik op doel.
"Het houdt me niet speciaal bezig, maar ik denk wel vaak na over het levenseinde. Meer dan vroeger. We moeten kleiner wonen, omdat mijn vrouw nog moeilijk trappen kan lopen. Dus ik ben bezig mijn bibliotheek op te ruimen. Dan is de vraag: wat heb ik nog nodig, wat zal ik nog doen?"

Henk van Os, kinderfotoBeeld -

U bent een gelovig man.
"Ik ga naar de kerk."

Is dat iets anders?
"Jezelf gelovig noemen, daar gaat een soort pretentie vanuit."

Maar waarom zou je naar de kerk gaan als je niet gelovig bent?
"Ik ben de overtuiging toegedaan dat God net zo lang bestaat als de mensen in Hem geloven. Dat maakt mij anders dan een heleboel andere mensen. Als je er zo over denkt, hoort er wel iets bij: een instituut waar God aanwezig wordt gemaakt, waar Hij gevierd wordt. Ik heb overigens wel een periode gehad dat ik helemaal niet naar de kerk ging. Dat ik bij het aanschouwen van een Madonna uitsluitend dacht: hoe moet ik die nou weer dateren?"

Gelooft u in het hiernamaals?
"Nee."

Waarom niet?
"Het idee dat je straks goed zit als je nu goed doet, dat vind ik echt vreselijk. Ik weet dat ik nu mensen beledig, maar ik vind het ordinair, een soort Hema-geloof. Ik kan het niet helpen. In de geloofsbelijdenis is het hiernamaals het laatste stukje. Ik vind het heerlijk als het in het Latijn gezongen wordt, dan heb je er niet zo'n last van."

Volgens uw biograaf Edward Grasman was het meest bepalende moment in uw leven het overlijden van uw vier jaar jongere zusje Gerdientje. Ze kwam om toen uw vader met zijn auto uit de bocht vloog. U was twintig.
"Ik heb heel veel gebeden."

Om uzelf op de rails te houden?
"Het is eerder omgekeerd. Bij het jezelf op de rails houden, merk je dat geloof en devotie een rol spelen. Ik dacht: dan wil ik ook wel laten weten dat het zo is. Ik ben toen lid van de Hervormde Kerk geworden, later van de Episcopaalse Kerk van Amerika."

"Het was 1958, de tijd dat absurdisme populair was met Samuel Beckett in Engeland en in Spanje Fernando Arrabal. Een intrigerend verschijnsel, waarbij enorm veel te lachen viel. Ik dacht: dat besef van absurditeit heb ik nodig."

U schreef een gedicht: 'leer mij wat de absurditeit betekent, opdat ik zin kan geven aan mijn leven'.
"Het wás absurd dat zo'n heel mooi ontstegen teer meisje gewoon kapotgereden was. Voordat je er een naam aan hebt gegeven, ben je alleen maar met verdriet bezig, maar uiteindelijk was dit voor mij de ultieme absurditeit. Na een tijdje merk je dat het besef dat het leven niet gaat volgens jouw planning heel erg verlossend kan zijn. We doen allemaal net alsof we het leven in de hand hebben. Dit was een keiharde ingreep om me te laten bedenken dat het zo niet werkt."

In 1996 sloeg het noodlot opnieuw toe toen zijn 28-jarige zoon Wouter een einde aan zijn leven maakte, na acht jaar te hebben geleden aan schizofrenie. In die periode van ziekte, schrijft biograaf Grasman, 'maakte Wouter het leven voor zichzelf, voor zijn moeder en voor zijn andere naasten tot een hel'.

"Het was vreselijk," zegt Van Os. "Voor mijn vrouw was het nog veel erger. En voor hem natuurlijk het allervreselijkste." Aan zijn zoon Pieter schrijf Van Os later dat hij na de fatale gebeurtenis vaak dezelfde droom had: 'Ik nam Wouter tussen mijn knieën en zo gingen we tussen de rails zitten en zagen samen de trein op ons afkomen.'

"Over die zelfmoord heb ik het met hem gehad," zegt Van Os. "Dat hij dat overwoog, ik kon niet anders dan daar respect voor hebben. Al is het natuurlijk afschuwelijk dat hij voor de trein is gesprongen." Hij kan niet ontkennen, zegt hij, dat er een last van zijn schouders af viel toen Wouter er niet meer was. "Verdriet vermengd met opluchting. Heel verwarrend."

U noemt het verhaal van de baron van Münchhausen het logo van uw leven: jezelf aan de eigen haren uit het moeras trekken.
"Absurdisme, daar heb je het."

Van Os neemt nu afscheid van de Universiteit van Amsterdam. Hij gaf, ter afsluiting van zijn aanstelling aan de UvA, een collegereeks over Franciscus van Assisi, stichter van de kloosterorde van de Minderbroeders en in 1228 heilig verklaard door paus Gregorius IX, nog geen twee jaar na zijn dood.

"Een kluizenaar die zijn bek niet kon houden," zegt Van Os. "Een charismatisch mannetje dat rigoureus afscheid nam van het rijke vaderhuis en de bossen in gaat, waar hij meteen zijn medekluizenaars om zich heen organiseert. In 1231 stonden de eerste Franciscanen in 's-Hertogenbosch. Goedemorgen! Dat is onbegrijpelijk." "Geen heilige die ooit zo'n rage in de beeldende kunst heeft losgemaakt."

Herkent u iets van uzelf in hem?
"Hij gooit zich er regelmatig helemaal in, maar als hij dat een tijdje heeft gedaan, moet hij hoognodig de bossen weer in. Dat heb ik ook: de behoefte om af te wisselen tussen reuring en zelfgezochte eenzaamheid."

Hij kon zo helder preken dat zelfs de vogels hem begrepen.
"Het verbum simplex! Dat is het, ja! Het eenvoudige woord. Dat heb ik altijd gewild. Ik heb een heel korte fase gehad dat ik dacht dat het heel stoer was om moeilijke woordjes te gebruiken. Toen kreeg ik zo'n verschrikkelijke hekel aan mezelf. In Groningen had ik op maandag altijd mijn dag in de studeerkamer. Dan hadden we de werkster. Die vond het maar raar dat mensen zo lang achter hun boeken zitten. Ik voelde me echt geroepen om elke keer weer te vertellen wat ik aan het doen was."

Kon ze het volgen?
"Daar moest ik goed moeite voor doen. Voor Museumschatten had ik een tijd lang een soort vrolijke commissie, waarmee we in de kroeg het programma bespraken. Er zat een taxichauffeur bij en een jongen van het melkwinkeltje. Had ik bedacht dat ik de mensen duidelijk wilde maken wat vroeg maniërisme is. Zeiden zij: allemaal rotzooi. Zo ontdek je snel dat kunstgeschiedenis uitleggen een vak apart is."

Uw familie ergerde zich nog weleens aan uw neiging tot verhalen vertellen.
"Ja, je wilt zelf ook weleens aan het woord komen."

Bent u een fantast?
"Nee zeg, zo erg is het absoluut niet. Als je veel uit je hoofd praat, ben je kwetsbaar, maar ik heb altijd binnen de lijntjes gekleurd."

Wanneer werd u gegrepen door de kunst?
"Heel jong al. Toen ik twaalf was, ben ik een reproductieverzameling begonnen met van die Bruckmanns Kunstkarten. Daar maakte ik op school een tentoonstelling van over het expressionisme. Sloeg ik al die hooggestemde taal uit. Ik had toen niet veel met mijn ouders, maar op vakantie bezochten we altijd heel veel kastelen en nog meer kerken. Dat vond ik heel apart."

Wat ik vreselijk vond, was plantjes herkennen. Was je net een stuk de berg opgelopen, riep je moeder van beneden: 'Henk, moet je hier kijken, dit is een heel interessant soort akelei.'Beeld Friso Keuris

Sommige kinderen haten hun ouders erom.
"Ik niet. Wat ik vreselijk vond, was plantjes herkennen. Was je net een stuk de berg opgelopen, riep je moeder van beneden: 'Henk, moet je hier kijken, dit is een heel interessant soort akelei.' Mijn ouders waren van de kruidenleer, de farmacognosie. Mijn vader was rector van de universiteit in Groningen. Hij heeft digoxine uitgevonden, dat hartmiddel."

Ze waren niet blij met uw studiekeuze.
"Mijn vader zei: 'Je wordt toch nooit directeur van het Rijksmuseum.' Vroeger kwamen de conservatoren van het museum uit keurige families. Salaris kregen ze niet. Dus was het: wij hebben niet genoeg geld en een oom met een zilvercollectie heb je ook niet."

Hoe heeft u ze toch overtuigd?
"We waren weer eens in Zwitserland. Ik had een diplomaatje voor tennistrainer. In Gstaad had je van die jongens die tennisten met oudere dames, zeg maar gewoon gigolo's. Ik zei: pa, als ik geen kunstgeschiedenis mag studeren, ga ik dat doen. Echt met overtuiging. Hij schrok zich de pleuris. Uiteindelijk hebben we de vrede getekend toen ik er geschiedenis bij ging doen. Kon ik altijd nog leraar worden."

Henk van Os, kinderfotoBeeld -

Wilde u zelf geen kunstenaar worden?
"Nooit. Omdat ik al veel te vroeg met die grote voorbeelden bezig was. Daar had ik zo'n bewondering voor, dat ik zelfs niet bij benadering kon denken dat ik ook zoiets kon. Ik vind het mooi om nu te zien hoe mijn tienjarige kleindochter meteen begint te tekenen als ik haar meeneem naar het museum. Die heeft lak aan kunstgeschiedenis."

Gelooft u in verheffing?
"Jazeker. Ik ben van het ouderwetse Kautskysocialisme, van de Bildung. Mijn vader was geruime tijd iets wat niet meer bestaat: christensocialist. Ik moest in de zomer op een boerderij in de stront werken, zodat ik met gewone mensen in aanraking kwam. Dat ik zo Gronings leerde spreken, vonden ze dan weer niet zo'n prettig idee. Maar ik kan het nog steeds."

U werd ook even lid van de Communistische Partij Nederland.
"Dat kwam door Italië. In 1963 was ik een jaar in Siena. Daar was tachtig procent van de bevolking communist. Dat was wat nette mensen waren. De PvdA vond het toen bovendien belangrijker om fierljeppen en volksdansen te subsidiëren dan de hogere kunst. Die was niet voor de gewone man."

Voor gewone mensen zijn gewone dingen wel goed genoeg.
"Een schandalige manier van denken. Het maakt me razend."

Waarom vindt u verheffing zo belangrijk?
"Omdat ik heb gezien hoe gelukkig mensen ervan kunnen worden. Ik gaf in Ravenna een keer een rondleiding aan een groepje vrienden. Opeens stond daar een meneer tussen, een beetje plomp type om het voorzichtig uit te drukken. Blote voeten in vieze schoenen, een korte vlossige broek met ruim zicht op de navel. Op een gegeven moment zei hij: 'U zult wel denken, wat doet die man hier? Nou, dat komt alleen maar door u.'

"Hij had altijd naar Beeldenstorm gekeken en had toen bedacht dat hij naar Ravenna moest. Stond hij daar in de San Vitale met een gidsje in de hand te genieten."

Denkt u dat je van kunst een beter mens wordt?
"Een maatschappij die bestaat uit mensen die van kunst houden zou niet verkeerd zijn. Je hebt met elkaar een referentiekader dat immateriële dingen van waarde zijn. Dat het verleden een betekenis heeft. Kunst geeft je de mogelijkheid om de wereld om je heen structuur te geven."

In uw biografie las ik dat u directeur van het Rijksmuseum wilde worden vanwege 'de mogelijkheid tot meer glamour in de omgang met mensen met allure'.
"Hahaha."

Over vastgoedmakelaar Cor van Zadelhoff zei u: 'Wat een lefgozer, die zo'n buitensporige hoed durft te dragen.'
"Ik moest bij het Rijksmuseum met sponsoring beginnen. Michael Drabbe van ABN Amro ging me daarbij helpen. Hij nam me mee naar de eretribune van Ajax. Daar zat Cor, want die leende bij ABN Amro. Michael zei in de tweede helft: 'Cor, je begrijpt wel dat Henk het helemaal niet leuk vindt om naast zo iemand als jij te zitten. Er wordt wel wat van je verwacht.' Cor zei: 'Ik doe alleen in natura.'"

"Nou hadden wij een enorm probleem met een pand naast het Zuiderbad, waar het museum in zat. Dat was van een malafide Engelse makelaar. Het ministerie was als de dood dat die man dat gebouw verkocht, want dan stond het halve Rijksmuseum op straat. 'O,' zei Cor, 'als je me nooit zal vragen hoe het is gebeurd, krijg je binnen drie weken van het departement het bericht dat ze het hebben gekocht.' Ik was verbijsterd. Over dit soort mensen had ik alleen maar in boeken gelezen en dan meestal nog van Amerikaanse schrijvers."

Voor een socialist was u niet bepaald vies van sponsoring.
"Ik vind het heerlijk om mensen met te veel geld te helpen er een goede bestemming aan te geven."

Investeert de overheid genoeg in kunst?
"Dat vind ik een heel moeilijke vraag, omdat ik weet van buitenlanden waar de overheid nog veel minder doet. Dus daar zit ik wat... Mag ik nog een anekdote vertellen?

Gaat uw gang.
"Toen ik directeur van het Rijksmuseum was, hadden wij een clubje met de directeuren van de acht grootste kunstmusea in de wereld. In Berlijn hadden ze een probleem met het museumeiland, nadat De Muur was gevallen. De minister van Binnenlandse Zaken nodigde ons uit in het Kempinski Hotel. Dat heeft een fantastische sauna, dus ik was daar meteen heen gegaan."

"Tot mijn stomme verbazing kwam Philippe de Motabello van het Metropolitan binnen en vervolgens Michel Laclotte van het Louvre. Op een gegeven moment zaten er vijf van ons in de sauna en vroeg Montabello: wie van ons heeft nou de meeste macht? Echt een gesprek om in je blote kont te voeren."

"Wij zeiden natuurlijk: jij, Philippe, met al dat geld. Maar hij zei: welnee, ik ben personeel van de trustees. Ik moet de hele zomer in de Middellandse Zee met mevrouw Reitzman op een jacht ronddobberen, want anders betaalt ze de nieuwe vleugel niet."

"Dus werd het Laclotte van het Louvre. Maar nee, daar was president François Mitterand de baas. Die bedacht wat er ging gebeuren en dan mocht Laclotte ernaast komen staan als de receptie werd gehouden."

"Afijn, je voelt hem aankomen: Henkie had de meeste macht. En waarom? Omdat hij voor tachtig tot negentig procent werd betaald door de overheid en met dat geld mocht doen wat hij wilde. Ongekend. Het enige probleem was: ik mocht dan wel de meeste macht hebben, maar in Nederland mag je dat nooit laten zien."

CV

geboren op
28 februari 1938, Harderwijk

1950-1957
Praedinius Gymnasium, Groningen

1957-1964
studie geschiedenis en kunst­geschiedenis, Rijksuniversiteit Groningen

1969
cum laude gepromoveerd op een studie naar iconologische problemen in de Siënese schilderkunst tussen
1300 en 1450

1974-1989
hoogleraar kunst- en cultuur­geschiedenis, Rijksuniversiteit Groningen

1989-1996
directeur van het Rijksmuseum

1990-2006
presentator Museumschatten en Beeldenstorm

1996-heden
universiteitshoogleraar kunst en samenleving aan de UvA

Van Os woont met zijn vrouw in Amsterdam en heeft drie zonen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden