PlusColumn

'Voor ik het weet, sta ik midden in de ring te uppercutten'

Thomas Acda Beeld Wolff
Thomas AcdaBeeld Wolff

Ik ga een stelling poneren die, terwijl ze nog slechts in mijn hoofd bestaat, al meer boegeroep dan gejuich oproept. Anders gezegd: ik heb deze nog niet getypt of ik ben het al met mezelf oneens. Ik vermoed dat de sportschool uit is en dat Amsterdam tegenwoordig naar de boksschool gaat.

Nogmaals, het zou me verbazen als dit klopt, want ik boks tegenwoordig ook en ik ben nog nooit hip geweest. En dan is het ook nog eens zo dat de boksschool zich ­bevindt in een gebouw met ­apparaten die verdacht veel aan een sportschool doen denken.

Er staan ook mensen aan die apparaten te trekken, maar ze kijken, zo lijkt het mij, met een half oog verlangend richting hen die of elkaar of een van de opgehangen lange stootzakken mishandelen. Behandelen moet ik zeggen, want het is een schone, zuivere sport, de pugilistiek.

Ik doe apparaten. Terwijl ik het door mijn PT Ronny met groot gemak opgehangen staal óók in beweging probeer te krijgen, zie ik hem wegkijken. Met een elleboog ­geleund op het onbeweeglijke apparaat waarmee ik worstel, staart hij naar het bokszakkenparadijs.

Daar wil hij zijn, zie ik. Maar ja, hij moet met mij die domme apparaten af. Mama's trots hier moest zo nodig hém uitkiezen om overdag te verbranden wat er 's avonds waarschijnlijk weer aan gedronken gaat worden.

'Mijn vader was een bokser,' hijg ik. 'Elke avond van mijn jeugd boksten we...'

Say no more, zegt zijn opgestoken hand.

Met duim en wijsvinger pakt Ronny de halter met 2500 kilo aan treinonderdelen van mijn borst.

'We gaan boksen!' Hij geeft me twee handschoenen die ik snel met alle terug­gehaalde kennis van Cinderella Man en Bruce Willis-films omfiebel.

Voor ik het weet, sta ik midden in de ring te uppercutten, hoeken, rechts, links, tweemaal rechts en links en hoek, hoek. Vijf minuten later hang ik gal spugend in de touwen.

Drie keer per week nu en we zitten in week vijf. Ik denk dat de meeste mensen in het begin wat vreemd keken naar die man met zijn longen in de handen. Was het modern straattheater? Maar nu gaat iedereen allang weer zijn eigen gang. Een nieuwe ervaring.

Soms, wanneer Ronny weer eens verhaalt van hoe verrassend weinig erfelijk bokstalent toch is, sla ik hem. Maar ik vraag me af of hij dat door heeft.

(Alle situaties en personen in dit verhaal zijn gefingeerd. Ronny weet niets van genetica en ik sta as we speak blootgevuist wat heipalen van de Noord/Zuidlijn de grond in te nagelen.)

Thomas Acda (1967) is zanger en acteur. Voor Het Parool beschrijft hij wekelijks zijn observaties van 'de' Amsterdammer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden