Plus

Voedingswetenschap kan niet zonder geld van het bedrijfsleven

Wetenschappelijk onderzoek naar voeding en gezondheid wordt voor een groot deel gefinancierd door bedrijven. Wat zijn daarvan de gevolgen?

Bij Wageningen UR komt 60% van het geld voor voedingsonderzoek uit private geldstromen Beeld Getty Images

Stel: u leest vanochtend in deze krant over een grootschalig onderzoek naar ontbijtgewoonten, waaruit blijkt dat mensen die de dag beginnen met boterhammen significant slimmer zijn dan mensen die ontbijten met ontbijtgranen. Interessant, denkt u, en u begint voor de zekerheid alvast met smeren. Maar dan hoort u dat het betreffende onderzoek voor 75 procent is gefinancierd door het Productschap Pindakaas en Hagelslag (PPH). Neemt u dan misschien toch maar liever dat bakje muesli?

Het PPH bestaat niet, maar dat onderzoek naar voeding en gezondheid in toenemende mate betaald wordt door het bedrijfsleven, is een feit. Steeds vaker wordt dit de wetenschap onder de neus gewreven: van de dieet­dames van The Green Happiness tot de activisten van Foodwatch, van programma's als Kassa en Radar tot de vele bezorgde bloggers en kwade burgers op het internet - allemaal spreken ze al te graag van belangenverstrengeling ('wiens brood men eet, diens woord men spreekt').

Hoe problematisch zijn de banden tussen voedingswetenschappers en de industrie, en hoe ernstig is het dat consumenten daardoor soms grote twijfels hebben bij wat autoriteiten zeggen over voedsel en gezondheid? Binnen de discipline zelf wordt er verschillend over gedacht.

Makkelijk praten
Martijn Katan, emeritus hoogleraar voedingsleer aan de VU, is somber. "De afhankelijkheid van de industrie is een gevaar geworden voor de geloofwaardigheid van het hele vakgebied," zegt hij. "En als de consument ons niet meer gelooft, kunnen we net zo goed ophouden met onderzoek doen."

Hij wijst op onderzoeken naar sponsorship bias: als een bedrijf een onderzoek mede heeft gefinancierd, zijn de resultaten dat bedrijf veel minder vaak onwelgevallig dan zonder die financiering. Enige tijd geleden riep Katan zelfs op tot een moratorium op samenwerking met de industrie op de Wageningen UR, waar het meeste voedingsonderzoek plaatsvindt.

Zijn kritiek wordt door veel van zijn collega's schamper ontvangen. Katan is met pensioen en heeft makkelijk praten, is de teneur. Ook wijzen ze er fijntjes op dat de beroemde hoogleraar zijn eigen grote ontdekkingen ook niet van de lucht heeft gedaan: Nestlé hielp hem bij het vinden van het cholesterolverhogende stofje in koffie. De gevaren van het inmiddels uit de margarine verdwenen transvet ontdekte hij met behulp van Unilever.

Overigens allemaal niet iets waar Katan zelf een geheim van maakt: "Het is goed en belangrijk om samen te werken," zegt hij, "zolang je als wetenschapper of als universiteit maar niet zo afhankelijk wordt dat je niet meer tegen een geldschieter kan zeggen: 'Je kunt de boom in, ik bedenk wel wat anders.' We moeten daarover in gesprek, juist ook met de burger en de politiek."

Glutengevoeligheid
Het zijn kwesties waar niet alleen de voedingswetenschap, maar de wetenschap over de hele linie mee worstelt: de terugtrekkende overheid zet in op een systeem waarbij steeds meer geld dient te worden betrokken uit het bedrijfsleven. Ook veel van het gemeenschapsgeld dat nog wel richting onderzoek gaat, komt pas vrij als er óók een deel is toegezegd door private partijen; zowel het Nederlandse Topsectorenbeleid als het Europese programma Horizon 2020 werkt zo.

Hoe groot het private aandeel in voedsel­onderzoek precies is, is moeilijk te achterhalen. Het is immers een brede discipline. Maar om een richting aan te geven: bij de VLAG/AFSG, waarin het meeste voedselonderzoek aan de Wageningen UR samenkomt, komt ongeveer zestig procent van de middelen uit de private geldstroom - dit staat los van de basisfinanciering, en er horen behalve bedrijven ook collectebusfondsen als de Hartstichting of het Kankerfonds bij. Aan de VU wordt minder dan tien procent van het voedingsonderzoek gefinancierd door privaat geld.

Fred Brouns, hoogleraar voedsel en innovatie aan de Universiteit van Maastricht (bezig met een groot onderzoek naar gluten­gevoeligheid dat voor het grootste deel wordt betaald door de tarwe- en broodindustrie): "Critici doen vaak net alsof een gesponsord onderzoek per definitie verdacht is, maar er zijn overal strenge, duidelijke afkaderingen. Dat weten de bedrijven en dat weten de onderzoekers: alles is openbaar en wordt altijd gepubliceerd, ook als het de sponsor niet uitkomt."

Brouns maakt deel uit van een werkgroep van Nederlandse wetenschappers die nadenken over de mogelijkheden het vertrouwen te herstellen.

Eiwit
Bij technologische ontwikkelingen lijkt het probleem minder groot. Dat de zuivelindustrie geld steekt in onderzoek naar het verlengen van de houdbaarheid van melk, vinden weinig mensen een probleem, dat ze onderzoeken laten doen naar de gezondheidsvoordelen van eiwit en ­calcium is controversiëler.

Ingeborg Brouwer, hoogleraar voeding en gezond leven aan de VU Amsterdam: "Als ik iets over vet zeg - dat doe ik weleens - is het óf: 'maar jouw onderzoek is bekostigd door Unilever' óf 'maar jouw onderzoek is bekostigd door de zuivel' - afhankelijk van de overtuiging van wie ik tegenover me heb. Zo kun je het nooit goed doen. Het is ook onze eigen schuld, want de wetenschap is nog best gesloten. We zouden transparanter moeten zijn ten opzichte van de consument, juist ook over het feit dat we goede, waterdichte afspraken maken over financiering en wat daar wel, maar vooral ook wat daar níet tegenover staat."

Het beeld van het bedrijfsleven als slechterik die niets liever doet dan corrupte wetenschappers omkopen, leidt ook enigszins af van wat sommigen zien als het grotere probleem: private partijen bepalen dan misschien niet wat de uitkomst van onderzoek is, ze bepalen wel in grote mate de onderzoeksagenda.

Katan: "Er wordt ontzettend veel onderzoek gedaan naar specifieke producten: of je er dun of gezonder van wordt. Dat is natuurlijk omdat dat ­allemaal dingen zijn die belangrijk zijn voor het bedrijf dat die producten produceert. Maar heeft de consument er ook wat aan? Meestal is de uitkomst volledig voorspelbaar."

Appeltjes
Welvaartsziekten als obesitas en diabetes hebben vaak oorzaken die niet alleen bij mensen op het bord liggen, maar ook in hun omgeving en hun levensstijl. Het zou, zeggen veel experts, dan ook goed zijn als daar veel meer onderzoek naar werd gedaan, maar dat zijn nu juist onderzoeken die weinig interessante investeringen voor het bedrijfsleven zijn.

Fred Brouns: "Stel, je doet een onderzoek naar de gezondheid van schoolkinderen: je kijkt naar hun ontbijt, sportlessen, een appel als tussendoortje, veel water drinken. Nu, dan wil de appelboer misschien wel de appeltjes sponsoren, maar alleen als hij vervolgens mag zeggen dat die kindjes gezonder zijn geworden door die ­appeltjes. Maar dat kun je met zo'n leefstijlonderzoek niet bewijzen. Dus zo'n onderzoek is voor de industrie vaak niet aantrekkelijk om te bekostigen, want die krijgt er niks voor terug."

Edith Feskens, hoogleraar in Wageningen: "In termen van preventie doen we echt véél te weinig, terwijl daar het meeste te halen lijkt. Ik werk nu aan een groot onderzoek naar het eerste stadium van diabetes, en hoe je dat wellicht met een verandering in levensstijl kunt omdraaien. Geen bedrijf wil dat financieren. Zelfs de ziektekostenverzekeraars, waarvan je toch zou zeggen dat die enorm geld kunnen besparen op mensen die niet ziek worden, vinden het risico te groot. 'Die mensen veranderen met kerst allemaal weer van verzekeraar,' zeggen ze."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden