PlusEssay

‘Vandaag hoor ik almaar die woorden van mijn kind: we mogen weer. We zijn vrij!’

null Beeld Julian Stips
Beeld Julian Stips

Het is gedaan met de huisfeestjes à twee personen, verkroepoekte mondkapjes en al die zelfgebakken zuurdesembroden. Columnist Roos Schlikker viert vandaag haar hervonden vrijheid. ‘We mogen weer. We mogen zelf. We zijn vrij!’

Al weken had mijn jongste, toen vier jaar, erom gezeurd. Gek werd hij ervan dat ik hem almaar stevig vastzette in het kinderzitje op mijn fiets. Veiligheidsbandjes om middel en schoudertjes, voeten keurig op de bijbehorende steunen geplaatst, pas dan konden we voorzichtig aan gaan rijden door de woekerende verkeersjungle. Safety first. Al veel te vaak had ik rampverhalen gehoord over enkeltjes die krakend braken tussen spaken, over aanrijdingen, over kleuterverkeersslachtoffers. Maar mijn kind wenste zich nooit te laten insnoeren. Ooit zijn wij zowat een vliegtuig uitgezet omdat hij een veiligheidsriem om moest en daarbij zo misbaarlijk krijste dat de captain gromde: “Zo kan ik niet werken.”

Nu riep mijn zoon dagelijks op hoge toon dat hij zelf naar school wilde fietsen. Hij kon het nog maar net en slingerde erger dan een dronken zeebonk na twee flessen jenever, dus hield ik de boot af. Maar op een dag had ik opeens geen weerstand meer. Het moest er toch van komen. En een leven klemgezet door angst is natuurlijk geen leven. Dus, adem in en springen maar.

Een kwartier later klonk luid gejoel door de Jordaan. Ik hield me in om niet de hele tijd te sissen: “Pas op, vóór je kijken, we zijn er nog niet, voorzichtig blijven, ja toe maar, oké, houd je aan de regels, wees bewust, goed zo, pas op!” Zo nu en dan ontglipte me een bangig ‘oe’, maar mijn zoon hoorde niets. Hij sjeesde naast me. Zijn knokige knietjes merkwaardig naar buiten gedraaid, de letter s slingerend over de stoep. En hij juichte. Juichte van geluk. “Ik fiets! Ik fiets zelf! Ik ben vrij! Eindelijk vrij!”

Houtsnippers en bananenschil

Zaterdag worden eindelijk de meeste coronamaatregelen teruggedraaid en almaar hoor ik die woorden van mijn kind in mijn kop. We mogen weer. We mogen zelf. We zijn vrij!

Vrij van het onhandige gefriemel in je jaszak als je even een pannenlap wilt scoren bij de Blokker en naarstig op zoek moet naar een oud, verkroepoekt mondkapje dat wanneer je het van lieverlee opzet ruikt naar een mengsel van houtsnippers en bananenschil.

Vrij van huisfeestjes met twee genodigden waardoor de polonaise toch wat ongemakkelijk ging. En het was al zo lastig, een mensenslang vormen met behoud van de 1,5 meterregel.

Vrij van hele dagen thuis zitten met alle hartenlapjes van je gezin die je uiteraard innig lief zijn, maar die ook zo hun eigen onhebbelijk­heden (wc-bril) en gewoontes hebben (enorm luid niezen en er vervolgens klagelijk poeh poeh achteraan zuchten). Laatst las ik de uitroep: ‘I’m so tired to only be around people who were either ín or came óut of my vagina’, en ik beaamde dat volledig.

Maar nu mogen we de wei weer in. Flirten op feestjes, dansen in de club, sporten in een klasje, de sauna bezoeken, naar de film, je laten opslokken door de rode pluchemond van het theater. En nee, dat is écht iets anders dan een dvd’tje opzetten, Hugo de Jonge. Probeer het vooral zelf eens.

Mistroostige ficus

Vraag is natuurlijk wel: hoe snel is alles weer zoals het was? Bijzonder snel, denk ik zomaar. Afgelopen week tweette iemand dat hij zwaar gestrest was omdat hij zoveel kaartjes voor festivals had gekocht en amper wist hoe hij al die jolijt in zijn agenda kon fietsen. Op Vliegtickets.nl staan aanbiedingen vanaf 6 euro (!), en een ticketje Barcelona doet ook maar 39 duiten. Vanmorgen struikelde ik over een comateus geblowd groepje Franse toeristen. En op het werk is menige videovergadering alweer vervangen door eindeloze praatsessies onder systeemplafonds, aangestaard door één mistroostige ficus die zelfs tijdens de pandemie weigerde het loodje te leggen.

Nog even en we zijn terug bij af. Zelfs de elleboogbegroeting zal straks iets van een ver verleden lijken. Het is even wennen, maar als die anderhalve meter ook niet meer hoeft, sta je voor je het weet weer te boksen, te driezoenen en te huggen. Voorzichtig worden we er in de media al op voorbereid, als zijn we marsmannetjes die opeens de menselijke maatschappij komen bewonen. Op Nu.nl stelde een gedragsdeskundige bloedserieus: ‘Bedenk van tevoren wat je gaat doen als iemand jou de hand toesteekt.’

En dat terwijl we tijdens het begin van de lockdown vorig jaar zulke grootse ideeën kregen. Een deken van rust lag over de stad. We wandelden glimlachend met de handen losjes op de rug over zonbeschenen straten. We hielpen de buurvrouw oversteken, al was er amper verkeer om rekening mee te houden. Maar we hadden de tijd. Tevreden keken we richting hemel die vliegtuigstreepvrij was. Wat prachtig, de natuur kon vrijuit ademhalen, er was minder industrie, minder rotzooi, de lucht was schoon, in Venetië zwommen weer talloze vissen, verzuchtten we gelukkig.

Blubje gist

En we verdiepten ons in nieuwe hobby’s. Thuisonderwijs geven (oké, dat is een grapje, er is geen hond die dat een hobby dorst te noemen, maar we weten nu wel allemaal hoe de nieuwe staartdelingen eruitzien), vulva’s breien, zelf bier brouwen of dagenlang praten tegen een blubje gist in de hoop dat het zou groeien en er op een gegeven moment, na heel veel lieve woordjes en urenlang Je t’aime... moi non plus voor hem spelen, een prachtig voedzaam brood van te bakken viel.

Wie doet dat straks nog? Geen hond meer. Gehaast staan we een natte stationstosti weg te happen alvorens we ons weer spoeden naar een volgend bilateraaltje en intussen zijn we naarstig op zoek naar leuke kaartjes voor leuke evenementen want zometeen mis je wat en fomo, fear of missing out, ligt continu op de loer. O en die vissen in Venetië? Die zijn binnenkort weggejaagd door rolkoffergedreun en hordes toeristen die achter een gids met een parapluutje aan marcheren.

Willen we daarnaar terug? Hoe hardleers is de mens? Het is een vraag die we moeten stellen, terwijl we uit ons fietszitje worden gehesen en de veiligheidsriempjes voorzichtig afgaan. Want ze waren niet voor niets, de momenten van inzicht die we tijdens de lockdown opdeden (‘Vijf dagen op kantoor heeft helemaal geen meerwaarde’, ‘Handen geven is eigenlijk best een gore gewoonte’, ‘Zuurdesem praat weliswaar niet terug, maar zelf brood bakken is wel mindful en bevredigend’), hopelijk vergeten we ze niet onmiddellijk.

Fomo mag van mij best een tijd wegblijven, de aloude Martin Briltekst ‘je mist meer dan je meemaakt’ zouden we ergens in onze hersenpan getatoeëerd mogen hebben. Maar voor nu telt ook even dat allerbelangrijkste, dat ene moment dat we mogen vieren en waarop we met z’n allen kunnen uitroepen: “Ik fiets! Ik fiets zelf! Ik ben vrij! Eindelijk vrij!”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden