Plus

Uroloog Ernest Weil: 'Ik had haar nooit uit handen moeten geven'

Uroloog Ernest Weil (69) kwam naar het MC Slotervaart, nadat hij in zijn ziekenhuis in Maastricht zijn vrouw had verloren. 'Ik kon daar niet meer werken.'

'Ik hou van opereren, maar ik wil wel iets mooier of beter maken' Beeld Cindy Baar

Het eerste waar het oog op valt bij het betreden van het grachtenhuis van uroloog Ernest Weil en actrice Beppie Melissen is een groot schilderij van een gouden, net niet gesloten cirkel. Het is een werk van Jos Caelen, een beeldend kunstenaar van wie Weil een bewonderaar is.

De dokter leidt de weg naar zijn studeerkamer in het souterrain. Daar wordt duidelijk het more is more-principe gehanteerd. Overal hangt en staat kunst: beeldhouwwerken en schilderijen, modern en oud, figuratief en abstract.

De cirkel van Caelen komen we ook weer tegen, op de cover van Weils proefschrift, als symbool voor een blaas die niet goed functioneert. Weil heeft niet alleen veel verstand van kunst (en van wijn en van lekker eten), maar uiteraard ook van alles wat te maken heeft met plassen, of medisch correct uitgedrukt: van de wetenschap van de urineafscheiding, want dat is urologie. Nieren, nierbekken, de blaas, de blaasuitgang. En de mannelijke geslachtsorganen, die nemen we er ook bij, zegt Weil.

Vertrek
Hij praat vol vuur over zijn vak, dat hij tegenwoordig uitoefent in het Slotervaartziekenhuis. Hij vertrok uit het academisch ziekenhuis in Maastricht, nadat zijn toenmalige vrouw daar door vermijdbare fouten was overleden.

Terwijl Weil nog bezig is met het inschenken van een glaasje water voor het bezoek, legt hij in een mum van tijd uit hoe veelomvattend het eigenlijk is, plassen, en dat zo ongeveer het hele lichaam erbij is betrokken.

"De blaas is een autonoom reflexorgaan. Als je in de wieg ligt, plas je zo'n twintig keer per dag kleine beetjes van twintig, dertig cc zonder dat je er controle over hebt. Dat wordt steeds meer naarmate je ouder wordt. Rond je tweede levensjaar zet je moeder je voor het eerst op een potje. Je hebt geen idee waarom je daar zit, je doet toevallig een plasje en dan staat iedereen te juichen en te klappen. Jij dus ook blij."

"De volgende keer dat iemand je weer op dat potje zet, denk je: o, wacht, toen heb ik dat en dat gevoeld, dat ga ik nog eens doen, dan wordt iedereen vrolijk. Zo leer je je aan te passen aan bepaalde sensorische informatie in je hoofd. Pas als je een jaar of twee bent, zijn de hersenen voldoende uitgerijpt en gelinkt aan het centraal zenuwstelsel om die informatie te kunnen waarnemen in de frontale kwab. Je reflexen zijn dan klaar om normaal te gaan plassen."

Zodat ik hier niet ga zitten plassen op deze mooie stoel, ook niet als ik nodig moet.
"Ja, dat doe je niet, is geen gezicht, raar ook. Ik doe het ook niet. We hebben geleerd het uit te stellen als het niet uitkomt. Ons lichaam helpt ons daarbij. Er zit een controlemechanisme in je hoofd die je blaasreflex afremt."

"De aandrang verdwijnt bijvoorbeeld zodra je wat begint te wiebelen of heen en weer te lopen. Dat komt door sensoren in je scheenbenen en onder je voetzolen die signalen doorgeven aan je hersenen via de zenuwwortels in het staartbeen en je ruggenmerg. En als het kan, gaat de rem er weer af en neemt de reflex de overhand."

Ik zat vier jaar geleden in een café de krant te lezen met voorop een foto van de vrouw van Mitt Romney op de Republikeinse conventie. Zenuwachtig lachend boog ze voorover met haar handen op haar kruis gedrukt. Een vakgenoot van u, denk ik, liep langs, tikte op het kruis van mevrouw Romney en zei: stressincontinentie, daar kan ik haar zo vanaf helpen.
"Ja, is ook zo. Onze kennis over blaasfunctiestoornissen is enorm toegenomen de afgelopen twintig jaar, en we hebben ook veel meer mogelijkheden om het te behandelen."

Hebben veel mensen zo'n stoornis?
"Heel veel. Duizenden, tienduizenden. Iedereen kan een blaasfunctiestoornis krijgen."

Zomaar?
"Door de gekste oorzaken kun je een slecht werkende blaas krijgen. Stress, een ontsteking, na een val, door suikerziekte, door schade na een operatie. Bij vrouwen die seksueel zijn misbruikt, komen blaasproblemen ook veel voor. Ze ontwikkelen een aversie tegen dat deel van hun lichaam en dat heeft invloed op hun reflexen. Vreselijk. In dit menselijke kader moet je mijn interesse plaatsen voor het behandelen van patiënten met een blaasfunctieprobleem."

U wilt een mens beter maken, niet alleen een lichaamsdeel?
"Ja. Begin jaren tachtig werd ik opgeleid door ouderwetse urologen. Als een vrouw dan kwam met pijn bij het plassen, zei zo'n arts: gaat u maar liggen, mevrouw. Hup, benen in de steunen. Dan keek hij een beetje moeilijk en schoof een stalen pin in de urinebuis om deze op te meten. Die werd dan opgerekt door een steeds breder instrument te gebruiken. Nou, die vrouwen kwamen nooit meer terug. Men wist toen niet beter, maar het was belachelijk martelgedoe."

"Dat soort praktijken zie je nu niet meer. Gelukkig. Door het observeren van dergelijke behandelingen kwam ik erachter dat men veel te mechanisch dacht in de urologie. Je moet functioneel denken: wat gebeurt er bij een specifieke patiënt? En zit het probleem bij de blaas of op hoger niveau in de hersenen of in het perifeer zenuwstelsel?"

Veel interessanter ook, lijkt me.
"Vind ik wel. Ik hou van opereren, maar ik wil wel iets mooier of beter maken, ik ben geen extirpatiechirurg. Vroeger kregen patiënten een stoma als niets hielp. Ik moet je zeggen: een stoma aanleggen voor een incontinentieprobleem is zeker twintig jaar geleden voor mij. Het komt nauwelijks nog voor in mijn praktijk."

"Ik los het anders op, met nieuwe technieken zoals neuromodulatie en elektrostimulatie. Daarmee oefenen we invloed uit op de hersenen en het centraal zenuwstelsel, tijdelijk door zenuwen in de benen te stimuleren of permanent met een pacemaker. We gebruiken ook botox in de blaas. Er zijn veel mogelijkheden tegenwoordig. Maar voor je gaat behandelen, moet je heel goed uitzoeken wat er precies aan de hand is. Daar gaat het allemaal om."

En dat doet u al heel lang.
"Zeker. Ik ben een oude bok."

Na zijn studie geneeskunde begon Weil in 1976 als militair arts om aan de dienstplicht te voldoen. Zijn droom was om orthopedisch chirurg te worden, maar hij wisselde van specialisme toen hij een plastisch chirurg aan het werk zag, die jongetjes opereerde met een aangeboren afwijking aan de uitgang van de plasbuis. Deze kinderen komen ter wereld met een krom, niet functionerend piemeltje, dat ze pas normaal kunnen gebruiken na een ingewikkelde operatie. Dat laatste vond Weil fantastisch.

In ziekenhuizen in binnen- en buitenland bekwaamde hij zich in de reconstructieve chirurgie, met name bij kinderen en in de functionele urologie met neuro-urologie. Hij vestigde zich uiteindelijk in het academisch ziekenhuis van Maastricht. "Daar was ik dag en nacht aan het werk. De praktijk groeide enorm. Ik was getrouwd met mijn vak. Nog steeds. Ik vind het verschrikkelijk leuk."

U woont nu in Amsterdam. Maastricht heeft u verlaten met een zeer verdrietige aanleiding: het overlijden van uw vrouw, in het ziekenhuis waar u werkte. Wilt u daar iets over vertellen?
"Jawel. Mijn eerste huwelijk, met de moeder van mijn twee prachtige dochters, duurde niet lang. Ik was nog assistent toen we uit elkaar gingen. Daarna kreeg ik een relatie met Steffie Tiggelovend, een psychiater/psychotherapeut uit Maastricht. Een topwijf. Intelligent, lief, heel mooi."

'Ik was getrouwd met mijn vak. Nog steeds. Ik vind het verschrikkelijk leuk' Beeld Cindy Baar

"Acht jaar geleden is ze overleden. Ze werd op een ochtend wakker en voelde zich ziek, zo ziek dat ik haar naar het ziekenhuis bracht voor acute opname. Daar droeg ik haar over aan een aantal collega's en ben gaan opereren. Na het werk ging ik naar haar toe. De artsen zeiden dat het wel goed ging. Wat is het dan? vroeg ik. Dat wisten ze nog niet precies."

"De ochtend daarop - een zaterdag - hebben ze haar naar een gewone afdeling overgebracht. Steffie belde me nog om te zeggen dat ze het zo koud had, of ik een trui wilde meebrengen en een paar sokken. Toen ik bij haar kwam, lag ze in bed. Er was niemand bij haar. Ik dacht: het is niet waar, het lijkt wel alsof ze doodgaat."

"Ze had al lijkvlekken. Ik heb iedereen gewaarschuwd. De verantwoordelijke arts kwam ook kijken, maar liep meteen weer hard weg. Ik stond alleen bij haar en kon gaan reanimeren. De eerste vijf minuten heb ik het zonder hulp moeten doen. Maar het was te laat. Mijn vrouw ging dood in mijn armen."

Bent u ooit te weten gekomen wat er is misgegaan?
"Min of meer. Zes hoogleraren hebben onderzoek gedaan. Op vier vlakken - ­diagnose, behandeling, communicatie en reanimatie - zijn vermijdbare fouten gemaakt met de dood tot gevolg. Dat is het allerergste wat kan gebeuren in de geneeskunde."

"Ik heb haar as uitgestrooid op Bali. Daar kwamen we - kom ik - graag. Vlak na Steffies dood kreeg ik een enorme tremor in mijn hand. De dag na het uitstrooien hield het trillen op, kon ik toch nog Indonesische kindjes met een plasbuisafwijking opereren. Dat doe ik daar al jaren. Daarna ging ik ook thuis weer aan het werk."

Kon u dat nog wel, in dat ziekenhuis?
"Ik probeerde het nog wel een tijdje, maar eigenlijk ging het niet. Een keer liep ik voor ik er erg in had met een assistent al pratende de kamer in waar ik mijn vrouw had gereanimeerd. Wat er dan met je gebeurt, is een verschrikkelijk drama. Nooit geweten dat een herinnering je zo onderuit kan halen."

"Ik ben niet naar de tuchtcommissie gegaan. De raad van bestuur heeft het geregeld met de inspectie, ik heb excuses gekregen van het hoofd van de afdeling en daar heb ik het bij gelaten. Ik had geen zin in eindeloze procedures."

Heeft u het uzelf verweten dat u naar uw eigen patiënten bent gegaan die dag?
"Ja, ik liep met een enorm pak schuldgevoel rond. Ik, een arts die altijd bovenop zijn patiënten zit en alles controleert. Waarom had ik haar uit handen gegeven? Maar ik vertrouwde mijn collega's, mijn ziekenhuis."

"De eerste maand ging het allemaal nog wel met me. Ik heb zelfs een mooi verhaal over haar verteld op de begrafenis. De problemen begonnen na een maand, zes weken. Alle kenmerken van een posttraumatische stressstoornis heb ik gehad. Ik ben er overheen gekomen. Met hulp van mijn beste vrienden en mijn dochters, die als twee pitbulls naast me stonden."

"Als ik me alleen en verdrietig voelde, ging ik vaak naar Amsterdam. Ik hou van de stad. Op een dag belde de toenmalige directeur van het Amstel Hotel. Of ik tijd had om even langs te komen. Hij wachtte op me in de bar, vroeg of ik een goede whisky wilde en zei: 'Gisteravond ben ik gebeld door mijn beste vriend, die jij ooit het leven hebt gered."

"Hij vertelde dat jij in de ellende zit. Ik wil je bedanken voor het helpen van mijn vriend, daarom ben je vanaf vandaag vriend van het Amstel Hotel en bied ik je in de weekenden een kamer aan.' Daar heb ik gebruik van gemaakt, weekend aan weekend. Liep ik op zaterdag al om zes uur 's ochtends langs de grachten te dromen dat ik hier ooit terug zou kunnen komen."

'Mijn vader was technisch begaafd. Als ingenieur werkte hij mee aan allerlei uitvindingen' Beeld -

Dat is gelukt. En hoe. De afdeling urologie in het MC Slotervaart staat nadrukkelijk op de kaart dankzij u en u heeft een nieuwe liefde.
"Ja, ik ontmoette Beppie bij mijn beste vrienden Arty Grimm en Miguel Ybáñez. Tegen mijn verwachting kwam het toch wonderbaarlijk goed met mijn leven, zowel privé als in mijn werk. Ik heb een afdeling gemaakt zoals ik hem altijd wilde."

Met heel veel kunst aan de muren?
"Zeker. En prachtige muziek op de poli. Daar zorgt Michiel Borstlap voor. De patiënten zijn erg complimenteus over de gang van zaken. Dat komt ook doordat iedereen die betrokken is bij urologie bij elkaar zit en we kennen elkaar allemaal: de specialisten, de verpleegkundigen, de secretaresses, de co­assi­sten­ten, maar ook de patiënten kennen ons, want ze zien altijd dezelfde mensen, niet steeds een ander poppetje in een witte jas."

Sociale cohesie op een afdeling voorkomt wat er met u vrouw is gebeurd, denkt u niet?
"Ja, daar ben ik van overtuigd. Iedereen die op onze afdeling werkt, moet weten wat er met wie aan de hand is, altijd. Communicatie is van levensbelang. Dat begint aan de balie als de patiënt belt. Daar moeten al mensen zitten die ik honderd procent vertrouw. Iedereen hoort zijn eigen patiënten goed te kennen. Er wordt bij mij niet gewisseld. Zelfs assistenten maken een dossier helemaal af."

"Betrokkenheid met de patiënt, daar draait het om. Het grootste risico van de zogenoemde protocollaire geneeskunde van tegen­woordig is dat mensen een nummer worden, dat er alleen nog maar in die achterlijke computer wordt gekeken en er niet meer goed naar ze wordt geluisterd en gekeken. Dat baart me grote zorgen."

"Een ander probleem van de huidige geneeskunde is dat je steeds meer supergespecialiseerde artsen krijgt die van een piepklein gebiedje alles weten, maar weinig kennis hebben van wat eromheen gebeurt. Artsen met een gedegen brede kijk op het lichaam worden steeds schaarser. En dat is zorgwekkend, want als je niet weet waar je allemaal naar moet kijken en luisteren, heb je geen volledig beeld van wat er mis kan zijn."

Heeft u uw trauma deels kunnen verwerken met het opzetten van zo'n toegewijde afdeling?
"Ik denk van wel. Het heeft me weer een blij mens gemaakt. Maar dat komt vooral ook door Beppie natuurlijk. Bep is zo vrolijk. Zo geestig. Ik lach wat af met dat mens. Ik prijs mezelf enorm gelukkig, hier in dit heerlijke huis aan de gracht, waar Bep jaren zonder mij woonde."

Kwam u binnenzeilen met al uw kunstwerken.
"Dat was wat, ja. Ik verzamel al meer dan veertig jaar. Het zijn ook mijn herinneringen."

Hoe ging het verzamelen in de tijd dat u zo verdrietig was?
"Ik heb lang niets meer kunnen kopen. Die tijd ligt al ver achter me, hoor. Mijn laatste aanwinst op dat gebied is een fantastisch kunstwerk van Miguel Ybáñez. Hij maakt echt ongekend mooie schilderijen, collages en beelden. Ze verwijzen naar een vierde dimensie. Net als het schilderij van Lara de Moor, dat hier op de gang hangt. Een vage vrouwenfiguur die voor een gesloten deur staat."

Bent u zelf artistiek?
"Nee. Nou, als ik een kindje opereer met een hypospadie, zo'n ernstige aangeboren plasbuisafwijking, en ik heb na vier uur een mooie penis gemaakt waar dat kereltje zijn hele verdere leven plezier van kan hebben, voel ik me als een kunstenaar die iets schept. Ik hou van construeren."

Kreeg u dat van huis uit mee?
"Mijn vader was technisch begaafd. Als ingenieur werkte hij mee aan allerlei uitvindingen. Vlak voor zijn dood, op zijn 89ste, hebben we nog een cruise gemaakt door het Panamakanaal. Hij wilde de techniek van de sluizen graag zien."

"Onderweg deed de bemanning geregeld oefeningen met reddingsboten. Een keer liep de takel vast. Niemand kreeg de boot binnen. Mijn vader stond toe te kijken met een sigaretje. Na een tijdje zei hij: 'Mag ik me er even mee bemoeien? Als u nou even dit en dat doet, dan gaat het weer.' Ze deden wat hij zei en hop, daar kwam de boot binnen. Ik kan je niet vertellen hoe trots ik was op die ouwe."

U bent nu 69. Hoe lang gaat u uw werk nog voortzetten?
"Dat weet ik niet. Ik ben zo sterk als een beer. Twee keer per week sport ik met een personal trainer die me sloopt. Ik heb het nodig. Daar kwam ik anderhalf jaar geleden hardhandig achter. Op een ochtend werd ik vroeg wakker. Beroerd was ik, niet te geloven. Ik mankeer nooit iets, dus ik wist niet wat me overkwam. De koorts steeg snel. Toen ik in de spiegel keek, dacht ik: het is niet waar, het lijkt wel of ik doodga. Ik kreeg ook rare vlekken op mijn huid."

Dat moet een enge flashback zijn geweest.
"Ja, enorm. Ik zei tegen Bep: we moeten naar het ziekenhuis. Ik heb een ernstige bacteriële infectie of zo. Als een haas scheurden we met een taxi naar het ziekenhuis. Tien minuten later zakte ik door mijn poten. Pneumokokkensepsis. Daar kun je binnen een paar uur aan doodgaan."

"Uiteindelijk heb ik tien dagen in het ziekenhuis gelegen. Daarna was ik gesloopt, ik moest mijn fysieke kracht weer opbouwen. Die staat nu als een huis. De raad van bestuur van het ziekenhuis heeft me gevraagd nog een tijdje te blijven. Dat wil ik, maar wel op voorwaarde dat ik mijn opvolger mag uitkiezen. Ik ben hard op zoek."

U kunt misschien een oproep doen.
"O ja, nou, hierbij, dames en heren, dokter Weil zoekt een opvolger."

De gekozene heeft straks wel wat in stand te houden.
"Ja, hij of zij moet echt voor de patiënten willen zorgen met alle mogelijkheden die er zijn. Ik hou van geven en ik wil iemand die daar net zo opgetogen van wordt als ik."

Dat zou nog best even kunnen duren.
"Ja misschien wel, maar dat geeft niet. Ik wil voorlopig nergens anders zijn."

'O ja, nou, hierbij, dames en heren, dokter Weil zoekt een opvolger' Beeld Cindy Baar

Ernest Weil

Geboren op 2 augustus 1947, Eindhoven

1967-1976
Geneeskunde, Amsterdam

1976/1977
Arts in militaire dienst

1977-1980
Opleiding chirurgie, Hilversum

1980-1983
Opleiding urologie in Utrecht, Den Haag en Londen

1983-2010
Uroloog in het Academisch Ziekenhuis Maastricht

2000
Promotie

1997-heden
Voorzitter van de General Aid for Children/Stef Foundation. Helpt kinderen met aangeboren urologische afwijkingen, m.n. op Bali

2010-heden
Uroloog en afdelingshoofd in het MC Slotervaart, Amsterdam

Weil is getrouwd met Beppie Melissen en woont in Amsterdam. Hij heeft twee dochters, Amber en Phoebe, uit een eerder huwelijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden