Column

Tien minuten na het overlijden rolde al een schaterlach de gang op

Albert de Lange (57), bijna dertig jaar redacteur bij Het Parool, is 'uitbehandeld'. Hij verkent, ongewis hoe lang, de route naar zijn aangekondigde dood.

Albert de Lange.Beeld Jan van Breda

Het is goed dat hij is gestorven. Donderdagavond heeft mijn oude vader, 82, de laatste adem uitgeblazen - ik zag van zeer nabij hoe waar dat cliché is. We stonden allemaal, minus de kleinkinderen, rond zijn ziekenhuisbed en ik kan nauwelijks de woorden vinden om te schetsen wat voor grote gebeurtenis het is.

Na zijn herseninfarct, vandaag veertien dagen geleden, was hij voor ons onbereikbaar geworden. We weten niet goed wat zijn bewustzijn is geweest die laatste twaalf dagen van zijn leven, maar we wisten heel zeker dat hij in deze toestand niet verder wilde. In zijn eigen kernachtige bewoordingen, die nu veel mensen zich blijken te herinneren: 'Geen gemartel.'

Daar kun je niet direct aan tegemoetkomen, omdat je eerst nog hoop moet toestaan, hoop op een kleine verbetering, iets van contact. Je kunt er als zieke zelf klaar voor zijn, de directe omgeving moet grote mentale stappen zetten om je te laten gaan. Met steeds nieuwe dilemma's onderweg: gaan we door met antibiotica? Halen we hem naar huis of gaan we naar een hospice of verpleeghuis?

De grootste stap: onder ogen zien dat hij stervende is. Met direct de volgende vraag: gaan we dat onnodig verlengen door hem voeding en vocht toe te dienen? Daarmee stoppen is een zeer tegennatuurlijke handeling. Een rollercoaster van ingrijpende beslissingen waarin ieder zijn eigen rol speelt en een eigen tempo heeft. Onderling een precair proces, dat veel aandacht, ruimte en subtiliteit vraagt, maar dat kunnen wij wel.

Hij heeft het ons uiteindelijk niet moeilijk gemaakt en we vinden het plezierig te denken dat hij zelf heeft besloten: nu is het wel mooi geweest. Dat maakte goddank al onze regelarij rond een goed gefaciliteerde thuiskomst overbodig, hoezeer ik het hem ook had gegund in eigen huis te sterven.

We hadden vanzelfsprekend nog heel graag een laatste woord met hem gewisseld. Ik heb altijd een heel goeie band met hem gehad en een paar reizen met hem gemaakt - hij heeft de wereld gezien, de laatste twintig jaar. Dan bereik je als vanzelf een mate van vertrouwelijkheid, die wel zo ver ging dat we half-grappend zeiden: we hebben elkaar op het sterfbed niet veel meer te zeggen. Dat stelt nu wel gerust, en ik merkte dat mijn moeder, de beide broers en mijn zus eenzelfde gevoel koesterden; zoveel was er al gezegd.

Blijft natuurlijk dat het verlies enorm is en daarboven hangt ook nog de doem van mijn geval, die anderen overigens scherper zagen dan ikzelf de afgelopen veertien dagen. Voor mij, ik stel het simpel vast, speelde dat geen enkele rol, wat in zekere zin egocentrisch is.

Nadat hij was weggegleden, hebben we nog geruime tijd bij zijn bed doorgebracht; ongelooflijk intense momenten, die niemand van ons ooit zal vergeten. En dat er vanuit zijn kamer al na tien minuten een enorme schaterpartij de gang op rolde, zegt wel iets over de bevrijding die we ook voelden. Een split second denk je dat het ongepast is, totdat je je realiseert hoe leuk hij dat gevonden zou hebben.

Wanneer ik, in zeer onbezonnen momenten, mijn vrouw voor de voeten werp: 'Je lijkt je moeder wel!' pareert ze dat meestal met: 'Leek jij maar wat meer op je vader!'

Als wapen vanaf nu onbruikbaar: het is een eerbetoon geworden.


a.delange@parool.nl

Wilt u reageren op deze column? Dat kan! Scroll (een beetje) naar beneden om een reactie te plaatsen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden