Ten slotte: Simon Vinkenoog (1928-2009)

Magie, liefde, vrijheid, wiet, Amsterdam, het zijn een paar van de vaste thema's uit het werk van Simon Vinkenoog, de schrijver en dichter die zaterdagnacht in het VU-ziekenhuis overleed, een week voor zijn verjaardag, 18 juli. Op zijn weblog toonde Vinkenoog zich vorige week dinsdag, na de amputatie van zijn rechteronderbeen, nog onvermoeibaar als altijd: 'Ik heb al 29 pagina's volgekrabbeld in het Moleskinenotebook dat ik voor mijn tachtigste verjaardag kreeg.'

Het afgelopen jaar was zijn kroonjaar, dat werd gevierd met Vinkenoog verzameld (uitgeverij Nijgh & Van Ditmar), een twaalfhonderd pagina's tellende uitgave van zijn gedichten, zijn briefwisseling uit de vroege jaren vijftig met Hugo Claus, Laat nooit deze brief aan iemand lezen, en de samenwerking met Spinvis, die opnamen van Vinkenoog van muziek had voorzien.

Gelukkig heeft hij het allemaal nog meegemaakt, de dichter die zichzelf, vanwege de chronische onverkrijgbaarheid van zijn werk jaren afficheerde als 'de meest uitverkochte schrijver van Nederland' en wiens gedichten nooit dezelfde waardering kregen als die van de andere Vijftigers.

Behalve als dichter was Vinkenoog onvermoeibaar als pleitbezorger van de poëzie. Hij maakte in 1951 de klassieke bloemlezing Atonaal, waarbij hij in de inleiding uiting gaf aan het gevoel van onbehagen van zijn generatie: 'Wij leven in het niets, wij weten niets en teren op een kulturele erfenis die reeds lang op en verdeeld is.'

De oorlogsjaren hadden diepe sporen achtergelaten bij de jonge dichters die bekend zouden worden als de Vijftigers: de vader van Campert keerde niet terug uit het kamp, Andreus had aan het Oostfront gevochten, Lucebert was tewerkgesteld in Duitsland en Kouwenaar zat vanwege meewerking aan illegale uitgaven enige maanden gevangen.

Ook Vinkenoog, die alleen opgroeide met zijn moeder op een etage in de Govert Flinckstraat, was niet zonder kleerscheuren door de oorlog gekomen. Hij vertelde hierover in een interview van enkele maanden geleden met Rick de Leeuw: ''De enige vriend die ik had, woonde schuin tegenover ons, op nummer 139. Helmut Blumenthal heette hij. Als er luchtalarm was, ging ik bij de familie Blumenthal schuilen. Daar voelde ik me veiliger dan thuis bij mijn moeder. In 1942 heb ik vanachter de gordijnen zwijgend moeten toezien hoe de hele familie door de Gestapo werd afgevoerd. De machteloosheid die ik toen voelde, heeft mijn leven getekend. Het besef dat vrijheid zo broos is. Helmut heeft de oorlog niet overleefd. Een eeuwig gemis.'

Wondkoorts, zijn poëziedebuut uit 1950, liet een romantisch-klassieke dichter zien die schreef over spiegel- en droombeelden, winter en regen. Een diep gevoel van onbehagen sprak tussen de regels door, en dat bleef zo in de daarop volgende bundels Land zonder nacht (1952) en Heren zeventien (1953). De gedichten van Vinkenoog sloten aan bij de vernieuwende koers van de Vijftigers. Maar meer dan zijn tijdgenoten werd Vinkenoog vergeleken met Amerikaanse Beatdichters als Allen Ginsberg en William Burroughs: associatieve, uitwaaierende poëzie die even spontaan als oeverloos kon zijn.

Zijn optredens en stem waren gloedvol, daar waren vriend en vijand het over eens. Wie Vinkenoog hoorde voorlezen werd vanzelf begeesterd en vergat graag de goed bedoelde, maar al te zeer voor de hand liggende gedachte (bijvoorbeeld in een regel als 'Nooit mogen wij vergeten / wat oorlog betekent / in het leven van iederéén').

In 1964 publiceerde hij Liefde, een dagboek annex egodocument waarin hij besloot voortaan alleen nog het positieve te benadrukken: 'Dit is een revolutie van de geest: dit is het einde van het tijdperk ANGST. Dit noem ik LIEFDE.'

Deze filosofie is hij trouw gebleven, in zijn leven en in zijn werk, die eigenlijk ondeelbaar zijn. Ieder mens kan 'God worden' zolang hij het goede nastreeft, het negatieve zorgt er alleen voor dat mensen zich van elkaar verwijderen.

In al zijn enthousiasme voor het spirituele ('één zijn met Moeder Aarde'), en de zucht tot bewustzijnsverruiming via mescaline en lsd vond Vinkenoog vanaf de jaren zestig vooral geestverwanten onder de hippiegeneratie, terwijl zijn kompanen van de Vijftigers inmiddels tot het establishment behoorden. Zij kregen P.C. Hooftprijzen en schitterende recensies, Vinkenoog publiceerde sinds zijn vertrek bij De Bezige Bij eind jaren zeventig bij kleine uitgevers zoals De Beuk en Passage.

Tien jaar geleden werd Vinkenoog opnieuw hip. Een nieuwe generatie performancedichters omarmde hem en hij werd vast jurylid van de Amsterdamse Poetry Slam. In 2004 was hij enige tijd Dichter des Vaderlands ad interim, nadat Gerrit Komrij zijn functie had neergelegd. Hij leidde in 2006 de tweede editie van Poëzie in Carré in, de avond die hij in 1966 tot zo'n spectaculair succes had gemaakt.

De dood zag Vinkenoog als iets natuurlijks, getuige een interview eerder dit jaar met Hugo Camps. ''De grote opgave voor de westerse mens is de angst voor de dood te overwinnen. Ik ben wel eens op een trip ergens terechtgekomen waarbij ik niet meer wist of ik dood was of levend. Het was een volmaakte status, daar zal ik me dan ook wel in bevinden. Dat blijft zo, en ik blijf hangen in bibliotheken totdat de boekenwurmen me opvreten.'' (VICTOR SCHIFERLI)

9 mei 2008. Simon Vinkenoog en zijn vrouw Edith Ringnalda in hun volkstuin op Buitenzorg in Amsterdam-Noord. Foto Liesbeth Dingemans Beeld
9 mei 2008. Simon Vinkenoog en zijn vrouw Edith Ringnalda in hun volkstuin op Buitenzorg in Amsterdam-Noord. Foto Liesbeth Dingemans
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden