PlusInterview

Sytske Frederika van Koeveringe: ‘Lachen op gekke momenten, ik snap het nu’

Ze kreeg de diagnose borstkanker, waardoor haar plannen voor een ‘lacharchief’ in een stroomversnelling kwamen. In Dag nacht licht toch verkent Sytske Frederika van Koeveringe de lach.

Sytske Frederika van Koeveringe: ‘Je mag blijven lachen, ook wanneer het leven zuur is.’Beeld Marc Driessen

Sytske Frederika van Koeveringe (31), afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie, richting beeld en taal, was allang bezig met de lach. Zeven jaar geleden begon ze met het bijhouden van een archief. Observaties, overdenkingen en onbeantwoorde vragen omtrent de lach en het lachen schreef ze erin op. “Ik was van plan er ooit nog een essaybundel over te maken,” vertelt Van Koeveringe in het Oosterpark. “Maar ik dacht altijd: dat komt later wel, als ik bijna dood ben. Dan weet ik er echt wel veel van af.”

Dat zou, dacht ze, rond haar 70ste zijn. Toen ze in mei 2019 echter te horen kreeg dat ze borstkanker had, zorgde dit voor een stroomversnelling. “In de nacht na mijn diagnose besefte ik dat ik moest lachen om de gesprekken die ik met mijn artsen had gevoerd,” zegt Van Koeveringe. Vooral het feit dat ze maar bleven benadrukken dat ze zich geen zorgen hoefde te maken omdat ze nog zo jong was, werkte op haar lachspieren. “Terwijl het ging om heel slecht nieuws over mijn lichaam. Dat is natuurlijk superscheef.”

Van Koeveringe dook het lach­archief weer in en schreef haar tweede boek, Dag nacht licht toch: een lach­archief. In een maand was de eerste versie af. “Ik werkte me helemaal te pletter omdat ik per ongeluk continu dacht dat ik bijna doodging,” staat op de flaptekst.

Hoe was het om al uw oude aantekeningen over de lach te herlezen?

“Het doorspitten van het archief en het schrijven van mijn boek hebben me geholpen door de behandeling heen te komen. Vooral in het begin was het best veel werk. Door de jaren heen had ik allemaal losse mapjes gemaakt op mijn computer. Die moest ik eerst van mijn harde schijf halen, herlezen en herschrijven.”

“Ik kon wel vrijwel meteen beter zien wat er zo moeilijk te vatten is aan de lach: waarom mensen op allerlei gekke momenten juist wel of niet lachen en om wat voor lach dat dan gaat. Na mijn diagnose was de ruis verdwenen. Dat merkte ik ook bij andere dingen in mijn leven. Zo wist ik ineens waarom een van mijn vriendschappen de hele tijd maar niet lekker liep, terwijl ik daar eerst niet goed de vinger op kon leggen.”

Wat is er nog meer veranderd na de diagnose?

“Alles. Vooral ikzelf ben natuurlijk erg veranderd. De laatste bestraling was vorige maand, maar de ziekte draag ik nu gewoon met mij mee. Het is een onderdeel van mij geworden. Ik merk dat ik nu meer ruimte in durf te nemen en over veel dingen niet meer zo onzeker ben als voor de kanker. Eerst was ik bijvoorbeeld best onzeker over mijn manier van schrijven. Nu weet ik dat ik er goed in ben en vind ik het niet lastig om dat toe te geven. Ook durf ik mensen er bijvoorbeeld op aan te spreken als ze me ­omver lopen in de supermarkt of op straat. Hoewel dit momenteel niet echt meer nodig is natuurlijk, met de corona-uitbraak.”

Voor wie is Dag nacht licht toch bedoeld?

“Dat vind ik een lastige vraag. Over het algemeen ben ik niet zo bezig met mijn publiek, maar als je een boek schrijft, wil je natuurlijk dat mensen het lezen. Dus op die manier ben ik er toch mee bezig. Ik denk dat ik vooral wilde laten zien dat je plezier kan en mag blijven hebben en mag blijven lachen, ook wanneer het leven zuur en kut is.”

“Daarnaast vind ik het fijn dat er nu extra literatuur is over kanker. Het verbaast me echt dat er maar zo weinig goede literatuur over te vinden is. Ik heb zelf veel gehad aan het werk van Lieke Marsman en Audre Lorde. Susan Sontag heeft er ook over geschreven, maar op een meer wetenschappelijke manier.”

“Ik hoop dat mensen iets kunnen hebben aan mijn boek. Niet dat ik ­iemand wil opleggen hoe met deze ziekte om te gaan. Daar heb ik een ­hekel aan. Maar het helpt wel om ­andermans ervaringen tot je te ­nemen.”

Uw eerste boek was een roman en dit is non-fictie. Was er verschil in het schrijfproces?

“Ja, non-fictie is een hele andere staat van zijn. Dat komt op een natuurlijke manier tot je. Voor een roman moet je een verhaallijn en personages bedenken en die vervolgens vasthouden. Je schrijft als het ware met zijn tweeën: jij en de hoofdpersoon. Bij non-fictie ben ik alleen.”

“Ik wilde eigenlijk ook nooit non-fictie schrijven. Dat is dus vet mislukt, haha. Ik stoorde me soms namelijk aan mensen die iets ergs hebben meegemaakt en daar dan een boek over schrijven. Dat kan blijk geven van een soort narcisme en ik wilde absoluut niet als een narcist gezien worden. Door mijn ziekte ben ik daar toch anders naar gaan kijken. Non-fictie heeft ook wat te bieden.”

Sytske Frederika van Koeveringe, Dag nacht licht toch: een lacharchief, De Bezige Bij, €21,99, 224 blz.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden