Plus

'Steden zijn snelkookpannen van de evolutie'

Waarom zingen vogels in de stad een toontje hoger? En waarom zijn duiven hier donkerder dan op het platteland? Steden zijn snelkookpannen van evolutie, zegt Menno Schilthuizen, de schrijver van het boek Darwin in de Stad.

Onderzoeker Menno Schilthuizen bestudeert de evolutie van stadsdieren Beeld Joris van Gennip

Op een zebrapad bij het Amstelstation hurkt evolutiebioloog Menno Schilthuizen bij een uitgebloeide paardenbloem. De pluizenbol vol zaadjes komt nog, demonstreert hij door de knop open te vouwen. Maar waar de zaadparachuutjes straks neerdwarrelen? Op deze asfaltvlakte is het ontkiemen van nieuwe paardenbloemen tot mislukken gedoemd. "De meeste zaden die wegwaaien landen hier op straat."

Het zijn de barre omstandigheden van de grote stad. De paardenbloem heeft zich daarop aangepast. "Uit onderzoek blijkt dat zaadjes hier sneller neerkomen dan buiten de stad, zodat ze meer kans hebben om in dat kleine perkje te landen waar de ouder-plant al groeide," zegt Schilthuizen. "Dat ze dan concurreren met hun broertjes en zusjes is blijkbaar een nadeel dat niet opweegt tegen de zekerheid van een stukje grond waar het goed toeven is."

In zijn deze week verschenen boek Darwin in de stad beschrijft hij een vergelijkbaar voorbeeld. Een Franse bioloog ontdekte dat vleugelstreepzaad uit de stad meer zware zaden afwerpt dan soortgenoten in weilanden en wijngaarden. "De planten die toevallig erfelijk zijn behept met net iets meer zware zaden, zijn in het voordeel en krijgen meer nakomelingen. Ook in de daaropvolgende generaties laten ze meer genen na dan soortgenoten die lichtere zaden maken."

Bij het vleugelstreepzaad voltrok de verandering zich razendsnel. In twaalf generaties, iets meer dan tien jaar, was het gebeurd. "De stad is een extreme habitat. Met een kleine aanpassing kunnen planten en beestjes hun kans op overleving of voortplanting enorm vergroten." Daar staan oneindig veel soortgenoten tegenover waar het niet goed mee is afgelopen. "Dat is de keerzijde van evolutie. Als er snelle evolutie is, betekent ook dat er veel sterfte is."

Hogere lokroep
Het alleraardigste boek van de Leidse hoogleraar en Naturalisonderzoeker staat bomvol dit soort voorbeelden van evolutie in de stad. Zo heeft zich volgens Schilthuizen een 'stadsavifauna' gevormd van vogels die zich aan het onherbergzame stadsleven hebben aangepast. Ze hebben bijvoorbeeld een hogere lokroep gekregen om boven de lage dreun van het verkeerslawaai uit te komen.

Paardenbloem Beeld Shutterstock
Merel Beeld Shutterstock

Of het daarbij echt om evolutie gaat, is nog de vraag. "In veel gevallen is niet bekend of het erfelijk is." Maar daar lijkt het wel op. Ook bij vogels als koekoeken, spechten, papegaaien en duiven zien we dat het geluid dat ze in de stad maken, hoger is dan daarbuiten. Dat zijn allemaal geen zangvogels. Hun zang is veel meer aangeboren, er is minder speelruimte om hun roep gedurende hun leven te veranderen. Dat maakt het waarschijnlijker dat het echt evolutie betreft."

Bij merels lijkt het er zelfs op dat een compleet nieuwe soort ontstaat. "Stadsmerels beginnen al midden maart met broeden. Plattelands­merels komen pas in mei terug vanuit hun winterverblijf. Merels zijn best honkvast, dus ze komen elkaar toch al niet meer zoveel tegen. Dan wordt het lastig."

Maan versus straatlantaarn
"Hun hele snavel is al anders, waardoor hun stem verder kan veranderen." Daar komt dus nog bij dat ze in de stad een hogere toon aanslaan om het verkeersgedruis te overstemmen. "Ze communiceren met hun zang. Dat kan ertoe leiden dat een vrouwtjesmerel uit een bos een mannetjesmerel uit de stad minder aantrekkelijk vindt."

De overvloed aan licht 24 uur per dag speelt ook een rol. Op de takken van een vogelkers langs het Prins Bernhardplein vindt Schilthuizen spinsel van rupsen. "Stippelmotrupsen, de enige insectensoort waarvoor is onderzocht hoe ze reageren op kunstlicht." Insecten hebben altijd het maanlicht gebruikt als navigatiebaken, legt Schilthuizen uit. "Als ze 's nachts een vaste hoek aanhouden met de maan, gaan ze rechtuit. Als ze hetzelfde doen met straatlantaarns gaan ze er in cirkeltjes omheen vliegen."

"Of ze gaan gehypnotiseerd bij een lamp zitten en vinden geen partner. Of ze verbranden bij de hitte." Een Zwitserse onderzoeker haalde rupsen uit nesten en kweekte ze in een laboratorium op tot vlinders. Die hadden dus nog nooit een lamp gezien en toch kwamen de uit de stad weggehaalde insecten minder op kunstlicht af dan soortgenoten van het platteland.

Stippelmotrups Beeld Shutterstock
Tuinslak Beeld Shutterstock

"Dan lijkt het er toch op dat in de stad evolutie heeft plaatsgevonden. Vlinders en andere insecten gaan minder af op kunstlicht omdat ze al generaties lang worden weggeselecteerd. Vlinders die zich niet laten afleiden of bijvoorbeeld geur gebruiken om hun weg te vinden, zijn in het voordeel."

Op de vogelkers vindt Schilthuizen ook een slakkenhuis. "Tuinslakken komen in allerlei kleuren voor, van lichtgeel tot donkerbruin. De kleur van het huisje bepaalt hoe warm de slak van binnen kan worden." Een lichter huisje weerkaatst meer zonlicht. Dat is welkom omdat het in de stad gemiddeld warmer wordt. Voorlopige conclusie: "Het lijkt inderdaad zo te zijn dat de huisjes in de stad lichter van kleur zijn."

Het is een van de weinige onderzoeken naar stadsevolutie waarbij hij zelf is betrokken. "Ik ben van oudsher meer een regenwoudonderzoeker. Het voordeel van onderzoek in de naaste omgeving is wel dat het veldwerk belachelijk eenvoudig wordt. Je hebt geen ingewikkelde en dure expedities nodig. Je stapt het huis uit en je kunt onderzoek doen dat net zo interessant is als onderzoek in de bossen van Borneo."

Evolutie in actie
Traditioneel is de teneur dat de stad een poel des verderfs is. Niet het onderzoeken waard. Met zijn boek laat Schilthuizen zien dat het tegendeel waar is. "Het aantal soorten is minder groot, maar dat maakt het proces van aanpassing aan de stedelijke omgeving niet minder interessant. Je ziet de evolutie in actie hier."

"In de stad zie je de aanpassing aan een heel nieuw milieu dat wijzelf hebben gecreëerd. De natuur worstelt ermee om een ecosysteem te vormen, een proces dat in de natuurlijke omgeving al miljoenen jaren geleden heeft plaatsgevonden. Dat zien we hier ter plekke gebeuren."

Quaggamossel Beeld Getty Images
Halsbandparkiet Beeld Shutterstock

In zijn boek breekt Schilthuizen een lans voor exoten, zoals de huiskraaien in Hoek van Holland. Bekende voorbeelden in Amsterdam zijn onder meer de quaggamossel en de halsbandparkiet. Gemeenten nemen nogal eens maatregelen tegen zo'n indringer, maar voor Schilthuizen hoeft dat niet zo nodig. "Het kan best zijn dat een inheemse vogelsoort wordt verdrongen. Bij de boomklever zijn daar op zich best aanwijzingen voor. Wat rest is puur een menselijke, gevoelsmatige waardering: die vogel hoort hier niet, die moet weg. Een soort ecologische vreemdelingenhaat."

"Het ligt anders als een exoot een compleet ecosysteem onderuithaalt, zoals de nijlbaars in het Victoriameer. Maar bij zo'n afweging tussen twee soorten is het moeilijk om er op wetenschappelijke gronden iets anders van te vinden dan dat het lood om oud ijzer is."

In zijn enthousiasme en zijn optimisme over de stadsnatuur roept hij nogal eens misverstanden op, schrijft hij in zijn boek. Het is geen vrijbrief om alles maar vol te bouwen. "Die conclusie wordt al gauw getrokken als wetenschappers zeggen dat beesten en planten zich toch wel aanpassen. Dan hoeven we ons daar geen zorgen meer om te maken, redeneert men. Maar bedenk je goed: tegenover elk geval van succesvolle adaptatie staan twintig soorten die het in de stad niet redden."

Stadsnatuur is ook zo veel veerkrachtiger als de soorten die zich hier staande houden in verbinding blijven met onaangetaste natuur rondom de stad. Schilthuizen hoopt stedelingen de ogen te openen voor het 'stadsecosysteem'. "De meeste mensen waarderen het als ze meer unieke natuur om zich heen hebben. Ik hoop dat ze met andere ogen gaan kijken naar de beesten en planten om zich heen."

Voorbeelden

In zijn boek noemt Schilthuizen nog een lange rij voorbeelden van planten en dieren die zich aanpassen aan de stad. Zo blijkt dat duiven in de stad vaak een donkerder verendek hebben. "De donkergrijze duiven hebben meer melanine, dat bindt zich aan zink en lood. Dat gebruiken ze als het ware om de zware metalen kwijt te raken."

Zo gaat het in zijn boek ook over vogels die sigarettenpeukjes hun nest binnenslepen omdat de nicotine vlooien en luizen verdrijft. In New Yorkse parken blijken de witvoetmuizen aangepast op het voedsel dat ze vinden. "In Central Park ligt het meeste junkfood op de grond, dus daar kunnen ze beter met vettig voedsel omgaan."

Een student van de Universiteit van Amsterdam onderzoekt of stadsslakken brutaler zijn. "In steden worden ze veel gestoord. Als dat te vaak gebeurt, verliezen ze te veel tijd die ze nodig hebben om te eten." Vandaar het onderzoek om te kijken of slakken in de stad sneller hun huisje uitkomen.

Menno Schilthuizen, Darwin in de stad, evolutie in de urban jungle. Atlas Contact, €24,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden