PlusInterview

Speechschrijver debuteert met politieke thriller: ‘Ik wil op niemand lijken’

Speechschrijver Yvonne Doorduyn debuteert met de politieke thriller Onmacht. Daarin wordt een speechschrijver beschuldigd van de moord op een succesvolle thrillerauteur.

Yvonne Doorduyn: ‘Ik wilde iets schrijven waarbij ik aan niemand verantwoording hoefde af te leggen.’Beeld Ruud Pos

‘De minister’ zal morgen tijdens de digitale ­presentatie via Zoom het eerste exemplaar in ontvangst nemen. ‘De minister’ was ook enthousiast dat ze het boek aan het schrijven was, vertelt Yvonne Doorduyn (41). ‘De minister’ is minister Cora van Nieuwenhuizen van Infrastructuur en Waterstaat, voor wie Doorduyn, voormalig politiek verslaggever van de Volkskrant, speechschrijver is.

Niet geheel toevallig is de hoofdpersoon van haar thriller Onmacht speechschrijver van een minister. Een speechschrijver die het ambieert zelf een thriller te schrijven, maar in hechtenis wordt genomen op beschuldiging van moord op de vriendin van wie ze vervreemd is geraakt – en die net een vliegende start heeft gemaakt als thrillerschrijver.

Intussen doet een politiek verslaggever van de Volkskrant onderzoek naar het plotselinge aftreden van premier Winston Trint, die er net met voortvarendheid hete hangijzers als het ­rekeningrijden, de donorwet, gratis studie­financiering en kernenergie doorheen heeft ­gedrukt. Een spiegelspel onder de Haagse kaasstolp met een ingenieuze plot.

U dacht: ik houd het dicht bij huis?

“De fysieke omgeving van mijn personage Sarah Bovens en het decor zijn zeer de mijne. Ik heb ervoor gekozen dicht bij mezelf te blijven, omdat ik deze wereld goed kan beschrijven. Ik heb jaren in Nieuwspoort rondgelopen. En veel mensen vinden dit een interessant podium: politiek en media. Het is een leuk kijkje in de keuken. Het verhaal zelf is echter fictie, Sarahs karakter is ook anders dan het mijne. Zij staat een stuk onzekerder in het leven, nadat haar zoontje bij een auto-ongeluk om het leven is gekomen. Al weet ik – gelukkig! – niet hoe ik zelf op zo’n ongeluk zou reageren.”

Vond u het niet eng om te schrijven over de wereld waar u nog steeds deel van uitmaakt?

“Ik heb me wel afgevraagd of ik dit onder mijn eigen naam kon publiceren, maar iedereen – mijn collega’s, mijn baas, de minister – was enthousiast. Mijn baas vindt het zelfs een uiting van goed werkgeverschap, het laat zien dat een werknemer bij ons ook de ruimte krijgt iets te ontplooien wat niet direct met het ministerie te maken heeft, dat het niet alleen gaat om uren maken. En wat betreft de regel ‘don’t talk strategy’: ja, ik laat Sarah naar een spreekvaardigheidsinstituut gaan, waar onder meer politici worden getraind in het spreken in het openbaar. Feit is dat de meeste ministers media­- training en speechtraining krijgen. Net zoals een stukadoor een cursus doet om beter te kunnen stuken. Natuurlijk heb ik het aan­gedikt: het instituut in mijn boek is veel ­luxueuzer dan de realiteit.”

Liep u al lang rond met het idee een boek te schrijven? In uw boek verwezenlijkt Sarah haar droom door aan een boek te beginnen.

“Heel lang, ik denk dat het vijftien jaar geleden is dat ik met mezelf heb afgesproken: dit ga ik ooit doen. Een lang verhaal. Ik was toen een half jaar op reis door Zuidoost-Azië en Zuid-Amerika. In Laos trok ik een tijdje op met een jonge man, die met vrouw en baby een levensmiddelenwinkeltje runde. Hij leefde in armoede, tegelijk vond ik hem het toonbeeld van levenslust en energie. Hij sprak de wens uit dat hij ooit in zijn leven de zee wilde zien. De zee, voor hem was dat oneindig ver weg. Die wens trof me. Nederland ligt aan de zee. En als we die niet hadden, konden de meesten van ons – nou ja, nu even niet – het vliegtuig pakken om de zee te zien. We wonen in een land met zoveel kansen! Je hoeft het alleen nog maar te dóén.”

Waarom heeft het dan toch nog vijftien jaar geduurd?

“Vragen als: waar haal ik de tijd vandaan? Heb ik de fantasie wel? Mij stond eerst een soort boek voor ogen als Memoirs of a Geisha, ik dacht iemand te interviewen en op basis daarvan een portretterende roman te schrijven. Maar dan moet je weer afstemmen met mensen, moet het aan de werkelijkheid voldoen. Ik merkte dat ik iets wilde schrijven waarbij ik aan niets of niemand verantwoording hoefde af te leggen. Iets wat helemaal van mij was. Om terug te komen op de vraag of ik het eng vond, ik vroeg me af: past het wel bij het beeld dat mensen van me hebben? Daarbij heb ik uiteindelijk gedacht: nou en? De fantasie bleek ik te hebben. En tijd kun je maken. En ik merk dat mensen het heel gaaf vinden als je iets gaat doen waar je passie ligt. Gek eigenlijk, hè? Dat zou toch normaal moeten zijn? Dat is het kennelijk niet. Als ik een motto zou hebben, dan zou het zijn: begint eer ge bezint. Want ‘bezint eer ge begint’ houdt zoveel goede ideeën tegen.”

In uw boek flirt u met bekende auteurs. Sarahs vriendin Ella wordt gelanceerd als ‘de nieuwe Saskia Noort’. Ambieert u die status?

“Aan de ene kant: ja natuurlijk, het succes dat zij heeft, of een auteur als Esther Verhoef, is onovertroffen. Ik lees hun boeken graag, ze geven een goede typering van het hedendaagse leven, van de psychologie van vrouwen van mijn generatie. En ze zijn vooral erg lekker geschreven. Maar ik wil niet op iemand lijken. Zeker het politieke aspect van mijn boek, dat is heel erg eigen.”

U hebt een aantal opmerkelijke plotwendingen uitgedacht. Hoe ging u daarbij te werk?

“Je hebt schrijvers die vooraf een tijdlijn uitdenken. Dat kan ik niet. Er waren mensen die het gek vonden dat ik op driekwart van mijn boek zelf nog niet wist wie de moord had gepleegd. Ik schrijf wat in me opkomt, dus als ik het leuk vind om ineens linksaf te slaan, sla ik linksaf zonder om te kijken. Daardoor heb ik wel veel tijd nodig gehad. Mijn redacteur Harold stelde nogal eens de vraag: is dit logisch, vanuit dat karakter of gezien die omstandig­heden? Ik heb maar één keer toegegeven. De rest van de wendingen heb ik laten staan en gezorgd dat ze logisch werden. Als ik nu een misdaadserie kijk, dan denk ik toch ook vaak: Harold zou dit niet logisch vinden…”

Yvonne Doorduyn, ‘Onmacht’, Ambo Anthos, €20, 334 blz.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden