Column

Soms denk ik dat we iets kussen wat we eigenlijk willen opeten

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column uit Het Parool.

null Beeld Jean-Pierre Jans
Beeld Jean-Pierre Jans

Even omgereden om Bloem een kusje te geven. Gek, eigenlijk.
Ik rij Amsterdam binnen, denk: als ik een parkeerplek vind, klop ik even bij m'n dochter aan, kan natuurlijk nergens parkeren, vind toch acht straten verder een plekje, druk even later op de deurbel, kom volstrekt ongelegen, dring me toch binnen, geef Bloem een kus en vertrek weer.
Waarom wil ik zo'n baby een kus geven?

Ik weet dat niet. Het is een noodzakelijke behoefte. Ik wil Koning ook altijd kussen, maar daar heeft hij tegenwoordig schoon genoeg van, wat ik begrijp. Maar als ik hem niet mag kussen, moet ik wel even over z'n bolletje aaien. Mijn hand móet de vorm van zijn hoofd voelen. Ik kan daar geen verklaring voor vinden.

Soms denk ik wel eens dat we iets willen kussen wat we eigenlijk willen opeten, en dat we iets aaien wat we willen meenemen om te beschermen.
Toen ik thuiskwam, zette ik de televisie aan en zag een baby in de Syrische stad Madaya die, door de strijd die er woedt, al tien dagen geen eten had gehad; hij werd in leven gehouden met wat water en zout, vertelde zijn moeder. Er waren meer beelden van sterk vermagerde mensen.

Verhongeren vind ik misschien nog wel misdadiger dan het in één keer een kop afhakken, zo er iets bestaat als een hiërarchie in gruwelijkheden. Ik ben hierin misschien ook bevooroordeeld: mijn ouders kregen in de Japanse kampen weinig tot zeer weinig te eten en hadden altijd honger. Ook na de oorlog.

'Je ziet jezelf een lijk worden, je ziet je eigen skelet, je ziet in de anderen de contouren van hun schedel en je weet dat ze ook de contouren van jouw schedel zien,' zei mijn vader.

'Ik gaf in het kamp het eten dat ik kreeg aan je zus, die zes weken oud was toen we het kamp ingingen; ik heb zo'n honger gehad dat ik soms niet wist of ik nog leefde of al dood was,' zei mijn moeder.

Die baby in Madaya wilde ik ook opeten en meenemen. Maar dat zou onfatsoenlijk zijn. Ik ervoer hoe dat verdomde rotschuldgevoel je denken vergiftigt, want ik voelde me schuldig dat ik Bloem wel had gekust en dat ik niets voor dat andere baby'tje kon doen, terwijl mij geen enkele blaam trof.

Wilt u reageren op deze column? Dat kan. Scroll een beetje naar beneden om een reactie te plaatsen of stuur een mail.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden