Roken bij het graf van een jongen

PlusTheodor Holman

Mijn hotel in Parijs bevindt zich recht tegenover het kerkhof van Montmartre. Er zijn daar een paar ‘vrienden’ die ik eigenlijk zou moeten bezoeken: Heinrich Heine, Alexandre Dumas, Théophile Gautier, Edmond en Jules de Goncourt, Stendhal en Émile Zola.

Ik ga dat niet doen. Vorig jaar heb ik al een poging gewaagd, maar na een minuut of twintig word ik te verdrietig van de graven van kinderen die men verloren heeft. Soms met ­fotootjes erbij. Ik wil dan weg.

Maar hier in mijn hotel­kamer, terwijl de duiven voor mijn hotelraam vliegen, heeft het kijken naar deze necropool iets van verboden poëzie, ­tegen het kitscherige aan.

Op een graf zit een jongen, ik kan van deze afstand niet precies zien hoe oud hij is, maar hij is nog jong. Hij rookt een ­sigaret en drinkt een pilsje. Als het biertje op is, zet hij het flesje op het graf en verlaat de ­begraafplaats. Een man en twee jonge kinderen gaan naar een graf. Kijken is te intiem, maar ik moet wel. Bij de steen die ze zochten, net binnen mijn gezichtsveld, staan ze stil. Niet lang. Een van de kinderen zoekt steentjes op de grond, denk ik. Vader raakt de steen aan.

Twee oude dames met grote boodschappentassen waggelen langs de paden. Soms staan ze even stil. Zoeken ze een plek? Ik weet het niet.

Opeens komt de jongen weer terug. Hij gaat weer op het graf zitten, naast het biertje dat hij heeft opgedronken, en rookt nog een sigaret.

Ik kan niet meer op de naam komen van die jongen uit onze buurt die bij een brand was omgekomen en wiens graf wij ook als tiener bezochten, al kende ik die jongen niet eens goed. Het moet in 1967 of ­daaromtrent zijn geweest. Mijn ouders mochten niet ­weten dat ik rookte, dus we ­deden dat daar. Opeens was de moeder van die jongen er. (Wat erg dat ik zijn naam niet meer weet!)

“Wat lief dat jullie zijn graf bezoeken,” zei zijn moeder.

Uit schaamte had ik de brandende sigaret in mijn broekzak gestopt en die begon pijnlijk te smeulen. Ik sloeg op mijn broekzakken en rende weg, weg van die moeder, weg van de schaamte waarvan je trouwens niet weg kunt ­rennen.

Als ik nadien die moeder zag, verborg ik me.

Dat zou ik nog doen.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden