Plus

Richard Witschge: 'Een patser ben ik nooit geworden'

Richard Witschge heeft een imposante carrière gehad, zeker voor iemand die volgens Leo Beenhakker van 'de patatgeneratie' was. 'Voetballers van nu hebben weer andere zorgen:
ze staan al op hun zestiende in de spotlights.'

Richard Witschge: 'Ik ben altijd mijn eigen gang gegaan en dat kan ik alle mensen aanraden' Beeld Jitske Schols

Richard Witschge zit op het terras van het Hilton Hotel te wachten op zijn afspraak. Hij oogt, kijkend op zijn telefoon, nog altijd als die begaafde en jongensachtige voetballer - al is Witschge inmiddels 49 jaar oud en is het deze maand 32 jaar geleden dat hij zijn debuut maakte in Ajax 1.

"Een mooie tijd," zegt hij vanachter een kop koffie, "en inderdaad een tijd geleden. Het is een verre herinnering geworden. Iets waar ik met plezier op terugkijk, maar het is zeker niet zo dat ik dagelijks zit te mijmeren over mijn tijd als speler. Er zit zoveel tussen.

Zaken, verhuizingen, kinderen en natuurlijk een kleinkind, dat ook alweer drie jaar is. Ik was er jong bij, dan word je ook jong opa."

Hij is geen man, waarschuwt hij maar meteen, van lyrische anekdotes over hoe geweldig het vroeger allemaal was. Ajax, Barcelona, Bordeaux en ook nog avonturen in Engeland en Japan - daar is niets mis mee, maar hij loopt er niet graag mee te koop, omdat hij gewoon niet zo'n behoefte heeft aan aandacht.

"Ik heb hoogtepunten meegemaakt, en ook dieptepunten, waarvan de gemiste finale van de Europa Cup 1 in 1992 op Wembley de grootste is. Daar denk ik soms aan, net als aan de kampioenschappen en de bekers die ik wel won. Ik heb van mijn hobby mijn werk gemaakt, dan mag je je handen dichtknijpen, maar ik loop niet van trots naast mijn schoenen."

Nu is er een boek: Lefgozer. Daarin heeft Mike van Damme uw voetbalverhalen opgeschreven. Bent u daar wel trots op?
"Ik ben blij dat het boek er is, en vind het ook een geruststellend idee dat mijn herinneringen zijn vastgelegd. Maar trots is zo'n groot woord. Het is leuk. En de opbrengst gaat naar de Ajax Foundation - dat vind ik ook fijn."

'Ik leef mijn leven zoals ik dat wil/ik bemoei me toch ook niet met een ander', een tekst van André Hazes, is het motto van Lefgozer. Waarom?
"Ik ben altijd mijn eigen gang gegaan en dat kan ik alle mensen aanraden. Tegenwoordig heeft iedereen over iedereen een mening. Dat snap ik niet. Wat weet je nu echt over anderen om meteen met een oordeel te komen?"

Dat motto heeft ook iets van: ik heb geen zin in al dat gezeur. Dat is nou net wat uw generatie - door trainer Leo Beenhakker de patatgeneratie genoemd - zo vaak wordt aangewreven...
Zuchtend: "Tja...En ik heb patat nooit heel lekker gevonden."

Een onzinterm?
"Beenhakker was in 1989 trainer van Ajax geworden, en de chemie was niet optimaal. Er was weinig vertrouwen. Beenhakker was ook een andere coach dan zijn voorganger Johan Cruijff: niet het type dat op de training even alles voordoet, maar meer een prater."

"Ook zette hij zich nogal af tegen de jongeren in de selectie, jongens als Bryan Roy, Marciano Vink, Frank en Ronald de Boer, Dennis Bergkamp. Hij vond dat we te gemakzuchtig waren, te verwend. Hij dacht blijkbaar dat we liever in de snackbar zaten dan dat we op het voetbalveld stonden, en slingerde toen die kreet de wereld in."

"Op een dag - ongelooflijk maar waar - werd mijn moeder gebeld door een journalist met de vraag wat ze mij en mijn broer Rob zoal te eten gaf. Toen moest mijn moeder, die haar hele ­leven gezond voor ons had gekookt, zich ook nog verantwoorden."

Het kwam niet meer goed tussen Beenhakker en u?
"Tijdens een nabespreking gooide ik een tafel omver en smeet ik de deur dicht. Niet zo handig. Ik werd teruggezet naar het tweede elftal, waardoor ik een oefenwedstrijd tegen Saint-Étienne miste, waar mijn broer Rob was gaan spelen. Dat deed me pijn, omdat ik daar enorm naar had uitgekeken."

"Later zei Beenhakker dat hij me wilde prikkelen. Voor mij was het meer een dreun. Ik heb toen Cruijff nog gebeld om te vragen hoe ik hiermee moest omgaan. Hij zei dat ik scherp moest blijven, sneller moest handelen en me rustig moest houden - in en buiten het veld."

En?
"Dat advies heeft me weer op het goede spoor gebracht. In 1990 werden we alsnog kampioen, tijdens het jaarlijkse voetbalgala werd ik uitgeroepen tot talent van het jaar en Beenhakker, inmiddels bondscoach, selecteerde me voor het WK in Italië."

Vervolgens ging de telefoon...
"Een transfer bedoel je? Dat duurde nog tot de winterstop. Die tijd was zo anders dan nu. Nu is een EK of WK het moment voor een voetballer om stil te staan bij een overstap naar een grotere club, maar in 1990 waren de grenzen dicht. Een club mocht maar enkele buitenlandse spelers opstellen, dus de kans om een transfer te maken, was veel kleiner."

"Ik kreeg na het WK wel een contractverlenging bij Ajax en veel meer salaris. Ineens was ik een grootverdiener en daarmee was ik dik tevreden. Toen belde mijn zaakwaarnemer alsnog: hij was gebeld door Real Madrid, niet de eerste de beste club. Spanje trok me altijd al aan: het klimaat, het eten, de volle stadions. Ik voelde er wel wat voor."

Hoe kwam u dan bij FC Barcelona terecht, de aarts­rivaal van Real Madrid?
"Weer door Johan Cruijff. Ik belde hem voor advies en hij zei zonder omhaal: 'Wacht even, Ries, ik ben bezig je naar Barcelona te halen.' Daarmee was Madrid van de baan."

"Johan had mij bij Ajax als trainer vertrouwen gegeven en me laten debuteren. Ik kon niet wachten om weer met hem te werken. Al moest ik nog behoorlijk geduld hebben, want de onderhandelingen verliepen stroef en het nieuws lekte ook uit - met als gevolg dat na wat mindere wedstrijden werd geschreven dat ik alleen nog maar met die transfer bezig was. Flauwekul."

"Ik was uit vorm en iedere topsporter weet hoe moeilijk dat is. Vorm is ongrijpbaar. Soms verwacht je niet te veel en speel je de pannen van het dak, en een andere keer denk je alles aan te kunnen en raak je geen pepernoot. Na al die jaren topvoetbal kan ik nog steeds niet uitleggen hoe dat proces verloopt."

U was amper 20 en voetbalmiljonair. Was het voor een jongen uit West moeilijk aan die nieuwe status te wennen?
"Ik ben vaak door de buitenwereld uitgemaakt voor geldwolf. Dat krijg je er blijkbaar van als je op je achttiende al in een dure Citroën rondrijdt en op je twintigste bij Barcelona voor zeven jaar een miljoenencontract tekent. Ik heb natuurlijk altijd ongelooflijk goed verdiend, maar een patser ben ik volgens mij nooit geworden."

"Ik ben niet van de excessen en buitensporig geld uitgeven. Dat doe ik nog steeds niet. En als het moment zich voordoet, doneer ik aan goede doelen, vooral als die iets doen aan de ziekte die we thuis nog altijd 'K' noemen."

"Zo ben ik opgevoed. Dat je een euro maar één keer kan uitgeven en dat je oog moet houden voor de mensen om je heen. Dat heb ik mijn kinderen ook willen bijbrengen. Er is niets ­tegen af en toe wat toestoppen, maar je moet zelf werken om iets te bereiken."

"We hadden het vroeger niet breed. Ik kreeg vaak de schoenen en de kleren die eerder door Rob waren gedragen, ook de voetbalschoenen. Toen ik tien was, kreeg ik voor het eerst mijn eigen Pumaatjes. Die kicksen waren mijn trots. Tot ze tijdens een schoolvoetbaltoernooi werden gejat."

"Ik weet nog dat ik onbedaarlijk heb gejankt. Ook omdat die schoenen mijn ouders een rib uit het lijf hadden gekost. Er was geen geld om weer nieuwe te kopen. Dus voetbalde ik de zaterdag erop bij onze club SDW weer op de oude schoentjes van Rob."

Niettemin klinkt uw jeugd in Lefgozer behoorlijk gelukkig.
"Ik heb geboft met mijn ouders en met Rob - hij is tot de dag van vandaag mijn soulmate. Hij regelt tegenwoordig ook mijn zaken met zijn managementbureau."

Hoe zag die jeugd eruit?
"Voetballen, voetballen en voetballen. Altijd en overal. Ik ging zelfs al dribbelend naar school. Het ergste wat ons kon gebeuren, was dat onze spijkerbroek eraan ging. Dan naaide onze moeder er van die kniestukken op - een aardbei, of een vrachtwagen - en was de broek weer zo goed als nieuw."

Uw ouders waren harde werkers?
"Ik kom uit een echte, Amsterdamse arbeidersfamilie. Van mijn vaders kant gaat het Amsterdamse bloed tot zes generaties terug. Allemaal werkers. Mijn opa was broodbakker in de Van Hallstraat. Mijn vader had een hoedenfabriekje aan de Lindengracht. Ook werkte hij als beheerder van kantines van het Gemeente-Energie­bedrijf."

204

Richard Witschge heeft, verdeeld over twee periodes, 204 wedstrijden in het eerste van Ajax gespeeld

"Mijn moeder werkte in een van die kantines en maakte schoon bij mensen thuis. Door die baan bij het energiebedrijf zijn we in de Staatsliedenbuurt terechtgekomen. We woonden rechts van het terrein van de Westergas­fabriek, en later bij de Gashouder."

Nu een gebied van kunst en cultuur...
Lachend: "Nou, toen niet. Amsterdam was op sommige plekken best grauw en somber. Ik weet nog dat er straten waren waar je liever niet inging. De bus naar Ajax reed vanuit West via het Oosterdok naar de Watergraafsmeer. Dan kwam je langs een soort no man's land; waar nu dure huizen staan, stonden toen verlaten loodsen op afbraakterreinen."

Toen Ajax erbij kwam, was het zeker over met het voetbal op straat?
"We trainden toen om zes uur, maar vaak ging ik na school zo snel mogelijk naar de club. Als ik wat vroeger was, bestelde ik een tosti in de kantine. Ik vond dat een gouden plek. Er stond een tafelvoetbalspel en zo'n speelkast van Space
Invaders. Voor en na de trainingen was ik daar niet weg te slaan."

"Om negen uur moest ik thuis zijn. Dan deed mijn moeder nog snel de was, en die van Rob. De volgende ochtend stond ik om half acht op. Zo ging het vier keer per week."

Tegenwoordig worden veel jeugdspelers toch gehaald en gebracht?
"Het zijn andere tijden, en vergelijken heeft niet zoveel zin. De jongens van nu hebben weer andere zorgen. Zo is de aandacht door de sociale media enorm toegenomen, waardoor de druk al op jonge leeftijd hoog is."

Richard Witschge in actie voor Ajax in de Champions League tegen FC Porto Beeld ANP

"Spelers staan nu al op hun zestiende in de spotlights. En ze hebben in sommige gevallen ook te maken met zaakwaarnemers die hun het hoofd op hol brengen met verhalen over clubs in Spanje en Engeland. Dan is de kans ook groter dat je de weg kwijtraakt en al snel je focus verlegt. Dat hadden wij niet."

"Als jeugdspeler had je maar één doel: Ajax 1 halen. Dat was voor ons alles."

U bent sinds vorig seizoen individueel techniektrainer bij het eerste elftal van Ajax. Kennen de spelers u nog?
"Van YouTube. En dan vooral van dat balletje hooghouden tegen Feyenoord, al is dat ook alweer 21 jaar geleden. Ze weten natuurlijk dat ik in Ajax 1 speelde en in het Nederlands elftal en bij Barcelona. Ze kijken daardoor toch net even anders naar je, denk ik."

Wat doet een techniektrainer eigenlijk?
"Het voetballen op straat was voor mijn generatie een goede leerschool. Vooral de een-tegen-eenpartijtjes en het bomenvoetbal. Daardoor werd je gedwongen creatieve oplossingen te vinden, om initiatief te nemen. En dan moest je ook nog rekening houden met de auto's op straat en de ramen in de buurt."

"Dat naar oplossingen zoeken is minder geworden, omdat er minder op straat op wordt gespeeld. Ik probeer de jongens op dat gebied wat bij te brengen. Dat ze vooral ook blijven nadenken en niet in robotjes veranderen."

"Er moet een balans zijn tussen wat de trainer zegt en wat spelers zelf bedenken. Dat is te oefenen. Dat gebeurt ook bij Ajax. Dan is het van: bedenk het zelf maar even. Sommige jongens kunnen dat geweldig, anderen hebben daar meer moeite mee. Als ik dat zie, ga ik met ze praten."

"Vertrouwen geven. Dat is nu mijn belangrijkste taak."

Lefgozer - Voetbalverhalen van Richard Witschge. Auteurs: Richard Witschge en Mike van Damme. Uitgeverij Brandt, €20.

Van Ajax en Barcelona tot Japan

Richard Witschge (20 november 1969) is individueel techniektrainer bij Ajax. Op 26 oktober 1986 maakte hij, in navolging van zijn oudere broer Rob, zijn debuut in Ajax 1. Hij speelde, verdeeld over twee periodes, 204 wedstrijden in het eerste.

Witschge voetbalde ook bij FC Barcelona, Bordeaux, Blackburn Rovers, Alavés en de Japanse club Oita Trinita, en speelde 31 interlands. Richard is getrouwd met Lia Huis in 't Veld. Ze hebben drie dochters en één kleinzoon.

De acteur Cor Witschge (1925-1991), die bekend werd als Pipo de Clown, was een neef van Richards opa.

"Ik kende hem vooral van de tv. Oom Cor had niet zo'n hechte band met de rest van de familie. Maar hij was creatief, dat ben ik ook. Op het veld was ik op mijn best in een vrije rol, zonder te veel opdrachten. Ook nu smeed ik
altijd plannen in mijn hoofd."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden