Opinie

'Republikeinen, die moeten er ook zijn'

Willem-Alexander is een coole gast maar zijn job deugt niet, schrijft Ulli d'Oliveira na een informele ontmoeting met de koning.

De koning op het jubileum in Leiden.Beeld anp

Vrijdag 20 mei 2016. Een bom­volle zaal aan het Rapenburg in Leiden. De Maatschappij der Nederlandse letterkunde, in 1766 opgericht, dus nog voor de Bataafse Republiek, viert zijn feest in het Groot Auditorium van de Leidse Universiteit.

Ceremonieel programma: een schitterende feestrede van Tom Lanoye, de benoeming met laudatio van een vijftal ereleden, onder wie Wim T. Schippers, en de aanbieding van het jubileumboek aan Z.M., die de bijeenkomst met zijn aanwezigheid opluistert. Sinds de oprichting zijn de Oranjes de beschermheren en -vrouwen geweest. Natuurlijk moet iedereen ruim voor aankomst van de monarch binnen zijn. Er staat een aantal politiemensen op de voorhof, maar de als nauwgezet aangekondigde controle stelt weinig voor. De secretaresse van de Maatschappij staat aan de deur van het auditorium en kent iedereen.

Geharnaste republikein
Ik ga zitten op een van de zijbanken, waar gewoonlijk de hoogleraren gezeteld zijn, twee plaatsen van mederepublikein Thomas von der Dunk. We krijgen instructies van de als altijd strenge pedel: het als verzoek ingeklede bevel om te gaan staan als de majesteit zijn entree maakt. Ik roep Thomas en zeg: "Jij gaat toch ook niet staan, hè?"

Meer een bevestiging dan een vraag, met de suggestie dat ook ik niet overeind zal komen. Thomas toont een gulle lach, die verbazing uitdrukt.

Dan breekt het moment aan. De koning, vergezeld van een cortège van bestuurders, loopt onder orgeltonen door het gangpad naar de eerste rij. Iedereen rijst gehoorzaam op; ik blijf zitten. Ik kijk naar Thomas op, en hij kijkt neer op mij: hij staat, de geharnaste republikein. Hij heeft kennelijk meer gevoel voor decorum en etiquette dan ik.

Dan komt de receptie. De koning blijft nog even hangen bij een goed glas wijn en een spaatje. De laureaten en bestuursleden praten heftig op hem in. Ik klets met Wim T. Schippers. "Ik heb nog geaarzeld of ik het erelidmaatschap zou aanvaarden," zegt hij, "gegeven de aan­wezigheid van de koning en zijn beschermheerschap. Maar mijn vrouw zei: dan maak je het extra belangrijk. Doe niet als Remco Campert die zijn lintje weigert. Zo belangrijk is het ook weer niet. Toch ook leuk: ik heb nooit een boek geschreven, het is allemaal toneel en televisie geweest."

Ulli Jessurun d’Oliveira is jurist, letterkundige en oud-voorzitter van Stichting De Republikein.

Beeld Het Parool

Ik zeg: "Onderschat je bijdrage aan de taal- en letterkunde niet, Wim, je hebt zelfs honden aan de praat gekregen." Ik blijk intussen rug aan rug met de beschermheer te staan.

Wat later staat Willem-Alexander met Tom Lanoye te praten, aan wiens statafeltje ik ook toevallig ben beland. Ontspannen vertelt W.A. over de taalproblemen en -oplossingen in zijn huisgezin. Thuis wordt Nederlands gesproken, maar als de schoonouders overkomen is het anders: zijn Spaans is goed genoeg om hen te begrijpen, en hun Engels is goed genoeg om zijn antwoorden te volgen. En Amalia schrijft alles op, linkshandig in een net handschrift, 'dat ze niet van mij heeft'. W.A. probeert haar aan de computer te krijgen, maar het liefst schrijft ze alles eigenhandig op papier. Zo onthoudt ze het beter.

Renate Rubinstein
Dan komt er een klein dametje op mij af. Ik ken haar niet. "Mag je zomaar met de koning praten," vraagt ze. "Van mij wel," antwoord ik, en tik de koning op zijn schouder. "Koning, deze dame wil iets tegen u zeggen."

De koning buigt zich voorover en luistert aandachtig naar de bede van de dame of ze hem haar boek mag toezenden en of hij dat ook wil gaan lezen. Hij belooft alle binnenkomende post te bekijken, maar wil niet echt garanderen haar boek ook te gaan lezen. Toch is de dame buiten zinnen van opwinding en vreugde. "A propos," zeg ik tegen de koning, "we hebben elkaar eerder ontmoet, wel zeker tien jaar geleden, bij een diner bij Henk Wesseling."

"Ja," zegt hij, "dat herinner ik me nog goed, ik herken uw gezicht. Het was ter gelegenheid van Hans Goedkoop die praatte over zijn biografie van Renate Rubinstein, die weer haar boek over mij geschreven had. Ik heb mijn vader er toen nog bij gehaald."

"Inderdaad," zeg ik, "die dwaalde eenzaam door het paleis omdat uw moeder elders besognes had. Ik vond dat u bij die gelegenheid blijk gaf van een mooie distantie over uw eigen persoon bij de gesprekken die toen gevoerd werden over uw biografie en uw persoon." W.A.: "Ik heb door die interviews met Renate heel veel over mezelf geleerd. Ik moest daardoor flink nadenken over wie en wat ik was. Het boek van Hans Goedkoop over Renate is nog niet af, maar het schijnt te vorderen. Haar neef, die ze had meegenomen naar Engeland, is trouwens een succesvol zakenman geworden."

Dan snijd ik een ander chapiter aan. "Ik moet u wel melden dat ik republikein ben." (Op mijn rechterrevers heb ik een stickertje van het Nieuw Republikeins Genootschap geplakt; links steekt mijn lintje.)

W.A.: "Als men nu de Nederlandse staatsinrichting zou moeten opzetten, zou niemand een monarchie in zijn hoofd halen. Republikeinen, die moeten er ook zijn. We houden elkaar scherp, hoor."

En zo gaan de gesprekken ontspannen verder. De beschermheer is een cool guy. Alleen zijn job deugt niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden