Pop: Tom Waits - Glitter and doom live ***

Maandag is hij zestig geworden (van je lang-zal-hij-leven en hiep-hiep-hoera), maar terugkijken, of in elk geval vér terugkijken, is nog steeds niets voor Tom Waits. Net zomin als zich netjes aan de conventies van de popmuziek houden, trouwens.

Dus als hij een liveplaat uitbrengt (het onlangs verschenen album Glitter and doom live is de derde in zijn carrière) is dat zeker geen verkapte greatest-hitsverzameling met gezellig publieksgeruis en applausgeklater op de achtergrond. En hij mag bij zijn publiek dan nog steeds geliefd zijn als de gevoelige barkrukbard en de jazzy beatdichter die hij in de jaren zeventig en tachtig was, het podium anno 2008 is wat hem betreft níet de plek om nog eens, pakweg, Ol' 55, Jersey girl of Christmas card for a hooker in Minneapolis te gaan zitten spelen.

Waits noemde een compilatie met liedjes uit de periode 1973-1980 ooit Used songs (2001). Dat was niet voor niets, want wat geweest is, is geweest. Opgebruikt en tweedehands. En wat mensen al kennen, hoef je ze niet nog eens uitgebreid te laten horen als ze een kaartje voor je show hebben gekocht.

Wat dat betreft is het geen wonder dat hij zich tijdens zijn recentste tournee door Europa en Amerika voornamelijk concentreerde op zijn laatste handvol studioplaten - met name op The black rider (1993), Mule variations (1999) en Real gone (2004) - en op de brawlers & bastards van zijn superieure kliekjesproject Orphans (2006).

In de zeventien nummers van Glitter and doom live, die in de loop van die tour werden opgenomen en knap werden gemonteerd tot wat bijna klinkt als één zorgvuldig opgebouwd optreden, is er dan ook vooral ruimte voor Waits' huidige incarnatie als een theatrale kruising tussen Kurt Weill, Captain Beefheart en Vincent Price in een lyrische bui. De spookachtige grote-gebaren-Waits dus, die stampt en schuurt (Singapore, Get behind the mule), soms even gas terugneemt voor een dreigende gesiste ballade (Dirt in the ground) of een enkele galmende tranentrekker (Fannin Street), maar zich daarna weer snel op de ruigere potten-en-pannen-blues werpt.

Mooie muzikale momenten levert dat zeker op. De overrompelende minimedley Lucinda - ain't goin down waar de cd mee opent, bijvoorbeeld, waarin zijn kleine, uitstekende begeleidingsband ritmisch voortmarcheert als een jazzy hoempaband op een begraafplaats, terwijl Waits zijn teksten gruisbrult als een menselijke megafoon of de maat puft alsof er een stoomtrein uit zijn keel komt barsten.

Het surrealistische spoken word-pareltje Live circus, voorgedragen op de klanken van een toepasselijk pistewalsje, waarin een chimpansee een rol speelt die 'driepoot' genoemd wordt, is ook bijzonder fijn. ('Now, how tripod got his name is not appropriate for children,' grijnst de schorre spreekstalmeester.) En de zwaar aangezette ballade Fallin down wordt zó lekker ondergedompeld in een jarentachtigedelkitschsausje van piano, gitaar en saxofoon, dat je vanzelf mee begint te deinen.

Maar toch... Hoe verrassend en avontuurlijk de repertoirekeuze ook is, en hoe knap Waits' band er ook in slaagt zelfs zijn experimenteelste nummers toegankelijk te maken, op den duur gaat één ding je tijdens het beluisteren van deze avant-gardistische carnavalsoptocht van songs behoorlijk tegenstaan: de vocale capriolen van de frontman.

Want schuurpapier zat er natuurlijk altijd al in ruime mate op zijn stembanden, maar hier zet hij zijn signature sound soms zó karikaturaal aan, dat het bijna doet denken aan die beroemde sketch waarin John Belushi With a little help from my friends van Joe Cocker persifleerde.

Dan is hij Waits die 'die-mal-balkende-Waits' lijkt te willen imiteren. Die in een soundmixshow waarschijnlijk niet eens in de prijzen zou vallen. En die het genieten van zijn songs daarmee in de weg staat.

Wel weer (bedoeld) grappig is de bonus-cd, waarop een verzameling praatjes-tussen-de-nummers achter elkaar is gezet onder de titel Tom Tales. Ruim een half uur lang hoor je op welke onzinnige geestige observaties, lollige weetjes en heerlijk flauwe moppen waarop hij zijn publiek zoal trakteerde.

Pingelend op zijn piano dist hij op hoeveel omeletten je van een struisvogelei kunt maken (veertien), schudt hij wonderlijke artikelen uit het Wetboek van Strafrecht van Oklahoma uit zijn mouw ('Je mag je auto op zondag niet wassen met gedragen ondergoed. Vooral niet als je een raar kapsel hebt.') of legt hij uit waar de uitdrukkingen graveyard shift en dead ringer vandaan komen. En heel soms, als zelfs híj vindt dat een bepaalde grap wel erg dicht in de buurt van de Seth Gaaikema-regionen van het cabaret komt, verontschuldigt hij zich.

Weet u bijvoorbeeld waarom garnalen nooit aan het goede doel geven?
''They're shellfish.''

Na aarzelend boegeroep: ''Oh, okay. I knew I went too far with thát ... Thank you for putting a stop to it.'' (DIRK-JAN ARENSMAN)
(Anti/Pias)

null Beeld
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden