Review

Pop: Nick Cave & The Bad Seeds: From her to eternity ****

Nick Cave voor een optreden in Paradiso in het voorjaar van 1984. Foto Peter Elenbaas Beeld
Nick Cave voor een optreden in Paradiso in het voorjaar van 1984. Foto Peter Elenbaas

The first born is dead ***
Kicking against the pricks ***
Your funeral ... My trial *****

Het is voor de hand liggend en daarom verleidelijk de artistieke ontwikkeling van Nick Cave te interpreteren als de metamorfose van primitieve wildeman tot gesoigneerde chansonnier; als die van heroïnegebruiker tot oppassende huisvader, van vertolker van het Oude Testament tot adept van het Nieuwe.

In zekere zin valt daar ook wel iets voor te zeggen. Want de Nick Cave die de wereld aan het begin van de jaren tachtig leerde kennen als de hondsdolle voorman van de Australische oerpunks The Birthday Party, vertoonde nog geen glimp van de gentleman waarin hij zich decennia later zou ontpoppen.

Maar op zijn eerste vier solo-lp's -dezer dagen opnieuw uitgebracht in luxe, geremasterde versies- liggen alle gedaanten van Cave al besloten. Veelzeggend genoeg is het eerste nummer op From her to eternity, het album dat luttele maanden na het uiteenvallen van The Birthday Party verscheen, de Leonard Cohencover Avalanche. Weliswaar in een uitvoering die de oude Canadese bard zélf niet één-twee-drie zou herkennen, maar desondanks wel degelijk een voorbode van de Cave die nog moest komen.

Nick Cave draait al ruim dertig jaar mee in de popmuziek en behoort met Elvis Costello tot de handvol veteranen uit de punktijd die nog altijd niet een relevantie heeft ingeboet.

Op Dig!!! Lazurus dig!!!, het laatste Bad Seedsalbum, liet de vijftiger horen dat hij zijn wilde haren nog niet verloren heeft (hij verft het wel, zo bekende hij in een interview, maar dat doet hij al decennia), en het Grindermanproject van een paar jaar geleden suggereerde zelfs dat het vuur van the Birthday Party nog altijd in hem smeult. Kom daar bij, pak hem beet, Johnny Rotten eens om.

Het fundament van de vruchtbare muzikale carrière ligt besloten in de Birthday Partyplaten (die eveneens een fatsoenlijke heruitgave verdienen) en het kwartet dat nu opnieuw in de winkel ligt. De eerste uit die reeks is een claustrofobisch album waarop the Bad Seeds klinken als de ongeoliede machinekamer van een stoomschip, vlak voor de boel vastloopt. Het knarst, ratelt en beukt op een monotone maar verslavende wijze, zónder tot een bevrijdende ontlading te komen, terwijl Cave snauwt en gromt.

Een groot zanger is hij nooit geweest (en zal hij nooit worden). Zo is hij nauwelijks toonvast, zelfs binnen de beperkte vocale reikwijdte die hij op z'n vroegste werk laat horen. Hij zingzegt op tamelijk onheilspellende wijze, daarbij begeleid door het krassende gitaarspel van Blixa Bargeld, Barry Adamsons minimale baspartijen en de drums van Mick Harvey.

Op The first born is dead wordt die muzikale lijn verfijnd en vermengd met een primitieve variant van de blues. De plaat staat bol van de verwijzingen naar zowel het Oude Testament als naar de iconografie van de Zuidelijke Verenigde Staten. De titel verwijst naar de doodgeboren tweelingbroer van Elvis, en in de Caveïaanse mythologie die op dit tweede album voor het eerst in detail wordt prijsgegeven, is dat een bijna Bijbelse parabel. Het zal zijn vaste stijlkenmerk blijven en een intelligent alternatief voor de Dracularomantiek van de gothicbands die rond dezelfde tijd hun bleke kopjes opstaken.

Op Kicking against the pricks legt Cave tenslotte al zijn kaarten op tafel. Op de twaalf titels tellende coverplaat dompelt de zanger zich onder in zogenoemde murder ballads, waaronder het dan al tot op de draad versleten Hey Joe, de blues maar ook in het werk van charmezangers als Gene Pitney (Something's gotten hold of my heart) en zelfs Tom Jones (Sleeping Annaleah). De Black Crow King die aan het croonen slaat, nota bene met een liedje van de slipjeskoning van Las Vegas: voor veel fans moet dat confronterender zijn geweest dan de meest obscene optredens van The Birthday Party.

'Pricks' kent een paar mindere broeders, maar met deze staalkaart aan invloeden voltooit Cave feitelijk zijn universum.

De bouwstenen voor een decennia durende carrière liggen vanaf dat moment op z'n plaats, en hoewel de man zich blijft ontwikkelen en verfijnen, is alles terug te voeren tot die eerste drie albums om tenslotte op het vierde, Your funeral ... My trial tot volle wasdom te komen. Van het dreigende kermisdeuntje The carny en het onbeschaamd geile Hard on for love tot het melancholieke titelnummer; Caves veelzijdigheid is hier voor het eerst in optima forma te horen.

De vier platen zijn voorbeeldig heruitgebracht als dubbele digipacks en zijn elk voorzien van een DVD die tezamen een volledige documentaire over Cave en zijn Bad Seeds vormen. Dat zou je gedwongen winkelnering kunnen noemen, maar dat is dan ook het enige bezwaar tegen dit fijne kwartet. (JERRY GOOSSENS)
(Mute/EMI)

www.nickcaveandthebadseeds.com

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden