Plus

Patroonmaker Hansje Oerlemans weet niet van ophouden

Patroonmaker Hansje Oerlemans (72) werkte voor grote couturiers als Edgar Vos en Frank Govers, nu nog voor David Laport, en ze geeft dagelijks naailes. Ze liet zich niet kisten toen vijf jaar geleden vuurwerk haar huis verwoestte.

Hansje Oerlemans Beeld Peggy Kuiper

Hansje Oerlemans opent de voordeur van haar eenkamerwoning en naaiatelier op de Admiraal de Ruijterweg, waar ze ontwerpen van bekende ontwerpers als Edgar Vos en Frank Govers en kostuums voor Annie M.G. Schmidt-musicals in elkaar zette.

Het is zo'n deur met een grote ruit tot bijna aan de grond en een lage brievenbus. Ze moet de kieren nog afplakken tegen de wind, zegt ze, het wordt op waaierige winterdagen binnen anders te koud voor haar om te wonen en voor haar leerlingen om patronen in elkaar te zetten onder haar begeleiding.

Dat afplakken brengt Oerlemans - een vrij lange, slanke vrouw met een mooi gezicht en een stevige, jeugdige uitstraling - meteen bij het verhaal dat haar leven de afgelopen vijf jaar grotendeels heeft bepaald. Haar stem klinkt verlegen en voorzichtig, maar ze vertelt veel en praat makkelijk, ofschoon weloverwogen.

Vuurwerk
In de middag van 31 december 2013 werd haar huis nagenoeg compleet verwoest door vuurwerk, zegt ze op gelaten toon. Iemand - een dader is nooit gevonden, noch is erg hard naar hem of haar gezocht door de politie - gooide een paar rotjes door haar brievenbus.

Oerlemans was gewend die op oudejaarsdag dicht te plakken nadat de postbode was geweest, al veertig jaar; zo lang woont ze al in de straat. Het was er dat jaar niet van gekomen, misschien omdat ze midden in een verhuizing zat van een bovenwoning náást het atelier naar een beganegrondetage erachter. Ze kon de dubbele huur niet meer opbrengen.

Haar huisraad en andere persoonlijke spullen stonden die dag al opgeslagen in het atelier tussen de hoge tafels met daarop de naaimachines en kasten vol patronen, naaigaren, knoopjes, stoffen en tijdschriften met zelfmaakmode.

Achter de voordeur stond een emmertje dat ze ook was tegengekomen tijdens het leeghalen van haar oude huis. Een vuilnisemmertje met een flesje zilverpoets, schoonmaaksoda en brandspiritus. Jaren niet gebruikt. Ze was van plan het die middag nog af te geven bij een chemisch afvalpunt, maar eerst moest ze naar de Praxis voor een bedieningspaneel voor de wc.

Net toen ze daar een gangpad uitliep met wat ze nodig had, zag ze een steekvlam onder een nooddeur uitkomen. Ze riep dat er brand was. Haar stem is zacht, schreeuwen kan ze niet, maar gelukkig hoorde iemand haar toch en stond er een brandblusser binnen handbereik. Een paar minuten later was het vuur uit.

"In de Praxis voorkwam ik uitbreiding van een brand, ik kwam thuis, huis ontploft. Niet een knalletje en een beetje vuur maar echt ontploft, het vuurwerk was precies in dat ellendige emmertje terechtgekomen."

Terwijl ze thee inschenkt, vervolgt ze: "Ik ben telepathisch. Toen ik in dat gangpad die vlammen zag, had ik het moeten weten."

Met zulke ogen
Niet dat het iets had uitgemaakt als haar aanleg voor telepathie haar in de Praxis had verteld dat er iets goed mis was. Ze wandelde naar huis, nog geen drie kwartier nadat ze de poes had binnengelaten en was vertrokken met een boodschappentas.

"De straat was al afgezet met linten. Politie, ambulance, dierenambulance - alles stond er. Eerst denk je: het is bij de buurman. Je wilt het niet weten. De buren keken met zulke ogen naar mij toen ik dichterbij kwam. Je weet echt niet wat je overkomt, zoiets lees je in de krant over iemand anders. Een cursist die iets verderop woont, liep op me af. Ik ben door mijn knieën gezakt. En toen maar weer opgestaan."

Dakloos
Haar bed, bank, beddengoed, kleren, lesmateriaal, machines, naaitafels, fotoalbums, noem maar op; alles was verbrand, verpulverd of op zijn minst zwaar beschadigd. Alle ramen lagen eruit, ook aan de achterkant van het pand, het plafond was weg en er zat een krater in de vloer.

Formeel was Oerlemans dakloos, want de huur van de bovenwoning had ze per
1 januari 2014 - de volgende dag - opgezegd. De schade bedroeg duizenden euro's maar ze was alleen privé een beetje verzekerd, zegt ze, niet voor haar bedrijf.

Ze kon ook niemand aansprakelijk stellen, want de vuurwerkgooier was en bleef zoek. De politie maakte proces-verbaal op van de aangifte, dat ging in een mapje en daarmee was de zaak afgedaan, ze hoorde nooit meer iets.

Anderhalf jaar later, toen Oerlemans haar zevende gestolen fiets kwam aangeven op het politiebureau, vroeg ze met ijdele hoop zelf maar eens of er misschien enig schot in de vuurwerkzaak zat. Ze moet erom lachen, nu.

Gelukkig waren er buurtgenoten, familieleden en leerlingen van de naaicursussen. Zij gaven haar een matras en andere dringende benodigdheden om haar huishoudinkje weer enigszins draaiende te krijgen en ze hielpen met opruimen en schoonmaken.

Van de woningbouwvereniging mocht ze nog een tijdje terug naar de oude etage, zonder de poes want die had de brand niet overleefd. Een deel van het herstel - schilderwerk van de muren, een nieuw plafond, ruiten - werd voor haar geregeld via de verhuurder, maar haar atelier en huis opnieuw opbouwen en inrichten, kwam aan op haar eigen bloed, zweet en tranen.

Gelukkig waren er de buurtgenoten, familieleden en leerlingen.Vijf jaar later zitten we in een ruim atelier waarvan je ook zonder kennis van de ontploffing en de brand zou zeggen: zo zo, goed voor elkaar hier. Alles zit fris en strak in de verf. Ze heeft mooie grote kasten en nieuwe naaitafels en -machines. Er staan rekken met kleren.

Alsof er niets is gebeurd.

Met een lachje zegt ze dat ze nog steeds niet klaar is met het uitzoeken en poetsen van bezittingen die misschien nog te redden zijn. Je ziet ze alleen niet, ze staan opgeslagen in de kelder.

Op een tafel tegen een zijwand staat de oude stofknopenmachine van haar vader. Die bleek bestand tegen het vuurwerk. Ze heeft ook nog een foto waarop je ziet hoe hij aan het werk was met de machine.

"Zie je dat kinderbehang? Zijn werkplaats was de oude kinderkamer van mijn zus en mij. Hij begon zijn bedrijfje in stofknopen en stofceinturen toen ik zes was. Vanaf dat moment tot mijn zestiende sliep ik met mijn hoofd aan zijn voeteneinde, op mijn ouders kamer. Mijn zus werd uit het grote bed getild en in de woonkamer gelegd als zij naar bed gingen."

Stofknopen maken
Het gezin woonde in een piepklein huisje in de Indische buurt. Ze waren niet arm, de stofknopen en -ceinturen liepen goed, maar van enige luxe was zeker geen sprake en geld om de slimme dochters te laten studeren was er ook niet.

Hansje Oerlemans Beeld Peggy Kuiper

"Het was al geweldig dat wij op de Montessori Mulo terechtkwamen en niet op de huishoudschool. Als meisje werd je doorgaans klaargestoomd voor kinderen en het huishouden, uit die tijd kom ik echt nog. Ja, zo stond ik er niet in, maar zo was het wel."

Op haar vijftiende ging ze bij haar vader werken: stofknopen maken. Ze was er goed in. Van een niet al te moeilijke knoop jaste ze er zo vierhonderd per uur doorheen.

Haar vader leverde ze aan confectiebedrijven, hij bracht ze weg op de fiets, duizenden knopen per week - van piepklein tot zo groot als een poffertje.

De resten stof die overbleven eigende Oerlemans zich van kleins af aan toe om kleren van te naaien. Op zondagochtend zat ze al op haar knieën patronen uit de Burda te bestuderen. Als ze een leuke jurk zag, nam ze het patroon over en ververkleinde het naar haar eigen maat.

Zo leerde ze zichzelf het vak van patroontekenaar, ontwerper en kleermaker. Tienduizend uur, die moet je maken om ergens echt goed in te worden.

Een naaister is ze trouwens niet, benadrukt ze. Dat woord moet je volgens haar sowieso niet gebruiken, de correcte en respectvollere aanduiding is modinette.

Na een jaar avondschool en een eerste baan bij een confectiebedrijf werkte Oerlemans bij Edgar Vos. Hij ontwierp, zij tekende (patronen), knipte en naaide. Het patroon is de bouwtekening van een kledingstuk, een talentvolle modeontwerper kan nog zo veel prachtigs bedenken, hij kan niets zonder een goede patroontekenaar en kleermaker.

"Het was meteen spannend. Ik was nog niet binnen of we moesten al naar de NOS Studio want er moest iets worden afgepast voor Ina van Faassen die meedeed in een cabaretvoorstelling van Wim Sonneveld. Bij prinses Christina ben ik ook veel geweest voor pas-afspraken. Edgar mocht niet aan de prinses zitten en daarom ging ik mee. Zelf ontwierp ik ook. O, zei Edgar weleens, leuk, maak maar voor de winkel. Ammehoela, dacht ik dan, mooi niet."

U bent een kleermaker die kan ontwerpen, maar de meeste ontwerpers kunnen geen kleren maken. Willen die weleens iets waarvan u weet: leuk bedacht, maar dat kan niet?'
"Ja hoor, dat heb ik jaren gehad. Ontwerpers komen meestal eerst met vrij globaal werk. Wacht, ik pak er even een schets bij van Frank Govers die niet is verbrand. Ik heb jaren voor - niet bij - hem gewerkt. Fotomateriaal heb ik daar ook van, maar dat is misschien wel verwoest, ik weet het niet precies, het staat in de kelder."

Ze laat een tekening uit 1989 zien van een model in een korte jurk met pofmouwen en een bovenstuk met brede revers. Het is knap, maar rudimentair ontworpen: een paar rake lijnen, vrouwengezichtje erboven, indrukwekkend lange benen onder de zoom. "

Meer dan dit is er in het begin meestal niet," zegt ze. "Vervolgens is het een kwestie van elkaar aanvoelen: wat moet het echt worden?" Oerlemans werkte vroeger vaak de klok rond. Drie, vier uur slaap per nacht was gedurende jaren een normaal ritme voor haar.

Ook normaal was dat Frank Govers vlak voor een van zijn modeshows aan haar vroeg: 'Ach Hansje, kun je niet nog één jurk doen?' Dan werkte ze weer twee nachten door en nam ze die ene laatste jurk mee naar de show waar ze in privétijd hielp met het aankleden van de modellen.

Kreeg u wel goed betaald als het weer eens nachtwerk werd?
Ze giechelt verlegen. "Zeg ik niet." Dan: "Nou ja, het was geen vetpot. Veel uren maken voor weinig geld, dat is mijn vak. Wat ik destijds soms lastig vond, was dat de heren ontwerpers graag mooie kleren ontwierpen voor carrièrevrouwen die daarin krachtig voor de dag konden komen, maar dat ze de vrouwen - ook wel wat mannen trouwens - die voor hen werkten onderbetaalden. Dat was een enorme strijd. Ik heb er veel moeilijke gesprekken met de nodige huilpartijen over gevoerd - ook over bedragen die je allang had afgesproken."

"Het duurde soms zo lang voordat het honorarium op je rekening stond dat ik moest lenen bij mijn ouders om eten te kunnen kopen voor mijn kind. En dan had je het alleen nog maar over geld gehad hè, niet over creativiteit."

Voerde u daar ook discussies over?
"Soms wel, maar het was vaak ook heel leuk. Uwe Murau, de vriend van Frank Govers, was edelsmid. Heel verfijnd, hij kon prachtig werken. Hij zag de intentie van zijn werk terug in mijn werk; daar plaagde hij Frank mee."

"Een keer kwam ik een jurk brengen bij hen thuis. Uwe gooide hem zo op de bank dat de binnenkant openviel. Kijk, zei hij tegen Frank: dat is Hansje, de binnenkant is net zo mooi als de buitenkant. O ja, zei Frank dan om mij weer te pesten: ik wou dat Hansje de binnenkant wat minder mooi maakte zodat ze tijd overhield om meer te maken."

Lekker vals wel hè?
"Soms wel, maar hij was zelf ook een enorme harde werker hoor. Heel gedreven. Vergeet niet, ontwerpers investeren ongelooflijk veel energie en vermogen in het ontwerpen, nadenken, stoffen halen in het buitenland, gesprekken met de klanten, de shows, de modellen, de fotografen, en zij houden zelf ook niet zo gek veel over, dus ja, misschien is hun gedachte wel: wij doen het ook voor weinig dus niet zeuren."

Ze vertelt dat in de jaren zeventig, de tijd dat zij voor zichzelf begon, weinig vrouwen een eigen bedrijf hadden. 'Aan de heer, de directeur', stond altijd boven brieven van de Kamer van Koophandel. "Vrouwen met een baan werden bijverdieners genoemd, ook zoiets. Heel denigrerend."

Oerlemans is nooit een 'bijverdiener' geweest. Ze was altijd kostwinner, voor zichzelf en haar zoon Anne, die ze grotendeels in haar eentje grootbracht. De middag voor de bevalling bracht ze nog een avondjapon naar Govers. Drie maanden na de geboorte was ze weer fulltime aan het werk. Anne was twee jaar en acht maanden toen zij en zijn vader uit elkaar liggen. Het was geen goede relatie, zegt ze.

Lesgeven was handig als alleenstaande ouder. Ze begon ermee door de moeder van een vriendin die een schapenwollen vest had gebreid en een voering nodig had. Of Hansje die wilde maken. Zij had daar geen tijd voor, maar ze dacht wel: ik kan die vrouw leren het zelf te doen, en anderen misschien ook wel.

Naaionderwijs kwam ook met welkome extra inkomsten naast het werk dat ze deed voor couturiers en haar privéklanten.

"Ik ben niet iemand die alles vastprikt en plant. Als je druk bezig bent, kan er altijd nog wat bij, het zijn de mensen die weinig doen waar nooit iets kan. Dat geeft niet, iedereen is hoe hij is."

Ze ontvangt nog steeds elke dag cursisten, meestal in een groepje. "Bijscholers, zangers, studenten, huisartsen, advocaten, huisvrouwen, gynaecologen, alles komt hier, sommigen al twintig jaar. Ik heb ook altijd veel mannen op les gehad."

Wat maken die dan?
"Bijzondere jasjes, mooie overhemden, gilets. Ze zijn er uren mee bezig. Het is gezellig. Er word flink doorgewerkt, maar ook veel gepraat. Sterfgevallen door aids, ongelukken, huwelijken, scheidingen; alles gaat over tafel. Het voelt als familie."

Zelf is ze gestopt met naaien omdat ze aan beide handen carpaal tunnel syndroom heeft: een handzenuwbeknelling die pijn doet en tintelingen in de vingers geeft.

"Je kunt het laten opereren. Fluitje van een cent, zei de dokter tegen mijn vader die het ook had. Hij heeft zijn hand na de operatie niet goed meer kunnen gebruiken."

Dus u durft het eigenlijk niet aan?
"Nee. Gelukkig kan ik nog prima patronen maken, dat vind ik toch het leukste om te doen: het wiel uitvinden. Ik doe het nu nog voor David Laport, een getalenteerde, leuke jonge ontwerper. Bij patroon tekenen en knippen gebruik je je handen anders dan bij naaien en tornen. Ik heb heel wat getornd in mijn leven."

Loshalen is dat toch?
"Ja, met een tornmesje. Kijk, ik heb helemaal geen bed meer hier."

Ze wrijft over de palm van haar rechterhand. De muis is weggesleten, zoals de door miljoenen mensen gekuste voet van het Petrusbeeld in de St.-Pietersbasiliek in Vaticaanstad.

Dan laat ze haar huisje zien, achter het atelier.

"Het heeft een paar jaar geduurd, maar ik heb weer een bed en ik heb een stukje van het atelier afgesnoept voor een soort slaapkamer. Als mijn kleinzoon van zes komt logeren, mag hij in mijn bed en slaapt oma weer op het matrasje."

Ze lacht.

"Gezellig hoor. Ik heb alleen nog geen nieuw bankstel. Daar spaar ik voor."

Ze slaat de Nouveau van november 2018 open die op tafel ligt, met daarin foto's van Wende Snijders in een geel leren pak. Ontwerper: David Laport. Patronen: Hansje Oerlemans.

Ze lacht weer. "Ik heb me niet laten kisten door de brand. Op de dag dat het gebeurde, voelde ik meteen al: stoppen met werken doe ik alleen als ík het wil."

Hansje Oerlemans Beeld Peggy Kuiper
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool.nl.