Reportage

Overlevenden van Ravensbrück vertellen oorlogsverhalen voor de toekomst

Overlevenden van Ravensbrück bezochten afgelopen week week met pabostudenten het voormalige vrouwenconcentratiekamp. Zij vertelden hun verhalen aan de toekomstige onderwijzers, zodat die ze later weer kunnen doorvertellen aan hun klas.

Beeld Hanneloes Pen

Selma van de Perre-Velleman (91) staat voor de poort van voormalig concentratiekamp Ravensbrück. Ze herinnert zich nog goed dat ze in 1944 door de poort liep. Ze zag een asgrauw, vuil terrein met zwart gruis, vol barakken. 'Niemand wist wat er ging gebeuren.'

Ze wijst naar de fundamenten van een gebouw. 'Daar moesten we douchen en naar de dokter. Een kennis van me met mooie lokken werd kaalgeschoren. Ze huilde. De Duitsers zeiden dat ze luizen had, maar dat was niet zo. Ze wilden haar vernederen.'

Het kamp in Fürstenberg, een stadje met zesduizend inwoners zo'n tachtig kilometer ten noorden van Berlijn, was zo stampvol dat ze niet meteen naar binnen kon. Een deel van de gevangenen overnachtte in een tent, een ander deel op een berg gruis onder de blote hemel. Het regende.

In het voormalige wachthuis ligt een map met namen van de gevangenen. Bij haar naam staat 9 september 1944, de datum van binnenkomst. 'Ik kwam net als de anderen uit Vught op de áchtste binnen. Wat een registratie, hè,' schampert ze.

Het is de tiende keer dat Van de Perre teruggaat. Daar heeft de voormalige lerares wiskunde een goede reden voor. 'Ik wil aan de pabostudenten mijn verhaal vertellen. Deze leerkrachten moeten de verhalen uit de mond van een overlevende horen.'

Hogeschool
Een kleine veertig studenten hebben zich ingeschreven voor de reis. Maxime Wirken (20) van de Avans Hogeschool Breda is één van hen. 'Ik wil dit verhaal van overlevenden later aan mijn klas overbrengen. Ik vind het zo knap dat ze het durven te vertellen, dat ze hier durven te zijn.'

Van de Perre-Velleman, Beppie Ottenbros-Bosboom (87) en Ernst Verduin (86) - allen geboren in Amsterdam - en de Duitse Margrit Rustow (88) zitten 's ochtends, voor het bezoek aan het kamp, tegenover de aanstaande onderwijzers. Ottenbros houdt haar hand over het getatoeëerde nummer op haar onderarm. Later zal ze het laten zien, in een vervolggesprek. Een nummer met een driehoek eronder als teken dat ze in het Philipscommando in kamp Vught zat en een zekere bescherming genoot.

Ottenbros, Joods en jongste telg van een gezin met negen kinderen van het Krugerplein, ontliep bij toeval een razzia op haar werk bij regenjassenfabriek Hollandia-Kattenburg - ze was die dag ziek - maar werd later toch van huis gehaald. Ze kwam via Auschwitz na de dodenmars in januari 1945 in Ravensbrück terecht. 'Ik weet nog dat we altijd over eten spraken, want dat was er niet.'

Van de Perre: 'Je kreeg een bordje zogenaamde soep met grassprietjes erin. We moesten twaalf uur per dag werken en sliepen in smalle stapelbedden, driehoog. Er staat niets meer in het kamp. Je moet hier wel je fantasie gebruiken. Ik denk soms dat ik het allemaal heb gedroomd.'

Dunne kleren
Ze leden honger, werden geslagen en gesard door de Aufseherinnen en hadden het er in hun dunne kleren altijd koud. 'Ik had een lange mannenonderbroek bij elkaar gespaard met boterhammen,' zegt Van de Perre.

Rustow: 'We verwarmden ons bij een kacheltje. Ik weet nog goed dat iemand riep: 'Zie je dat vuur? Daar gaan jullie naartoe.' We hadden angst, niet voor morgen, maar voor het volgende uur.'

Van de Perre ging tien jaar geleden voor het eerst terug. Het greep haar bij de keel. Nu voelt ze zich sterker. 'Het is iets van mezelf. Dat kan ik aan. Ik heb nachtmerries, maar die gaan over mijn vader, moeder en zusje. Zij zijn vermoord. De eerste vijf jaren na de oorlog kon ik niet slapen. Toen ik langs mijn ouderlijk huis in Zuid kwam, liepen de tranen over mijn wangen. Ik wilde niet meer in Nederland zijn, ik ben weggegaan.'

Dat zij het heeft overleefd, is puur geluk. Haar vader, conferencier van beroep, meldde zich in oktober 1942 aan nadat hij een oproep had gekregen. Hij dacht dat hij zo zijn familie kon veiligstellen. Maar hij werd van Westerbork direct naar Auschwitz gedeporteerd en vermoord. In de straten in Zuid waren kort daarna de razzia's in volle gang. Buren waren al weggehaald. 'Ik zei tegen mijn moeder: wij moeten onderduiken, anders komen ze ons ook ophalen.'

Onderduikadres
Ze regelde een onderduikadres in het zuiden voor haar moeder en zusje. Er was maar plaats voor twee. Zelf ging ze van het ene onderduikadres naar het andere en rolde het verzet in. Met een vals persoonsbewijs, onder de naam Marga van der Kuit en met blond geverfde haren, bracht ze illegale kranten en bonkaarten rond.

Ze sloot zich aan bij de Westerweel-verzetsgroep en werd opgepakt omdat ze in het huis van één van de verzetsmensen was toen de Gestapo daar juist voor de deur stonden. Ze brachten haar naar de Euterpestraat. 'Hebben jullie wel eens gehoord van de Euterpestraat?'

De groep schudt nee. 'Er werd daar vreselijk gemarteld. Willy Lages, hoofd van de SD, stond boven aan het bordes. De Gestapomannen zeiden dat ik een meisje was dat niets met de groep te maken had. Maar Lages zei: 'Glaube ich nicht.' De moed zonk me in de schoenen. Ik ben er geweest, dacht ik.'

Van de Perre werd naar kamp Vught gebracht, waar ze op Dolle Dinsdag - de Duitsers vluchtten in september '44 in paniek toen de geallieerden dichterbij kwamen - met alle gevangenen naar Ravensbrück werd vervoerd. Ze wurmde door de spleten van de trein een briefje naar een vriendin. 'Ik denk dat ik in de trein naar Duitsland zit, veel liefs Marga' schreef ze. Het briefje kreeg ze onlangs terug van haar vriendin.

Na drie dagen stopten de treinen in Fürstenberg. 'We schrokken ons dood. Vught was een sanatorium vergeleken met Ravensbrück.'

Identiteit
Of ze niet bang was dat ontdekt zou worden dat ze Joods was, vraagt een student. 'Ja, wat dacht je. Ik was bang dat ik zou praten in mijn slaap. Ik probeerde mijn eigen identiteit weg te schuiven.'

In april 1945 wist het Zweedse Rode Kruis een groep vrouwen te evacueren. 'Ik kreeg een sigaret aangeboden van een Zweedse man. 'Nicht rauchen, Marga' riep een van de Aufseherinnen uit een raam. Die Zweedse man zei: 'Zij heeft helemaal niets meer over je te vertellen.' Pas toen wist ik dat ik vrij was.'

Via Zweden keerde Van de Perre terug naar Nederland, in een vuurrode mantel en felblauwe jurk als tegenstelling voor dat zwarte gruis in het kamp. Alleen haar twee broers hebben de oorlog overleefd. Haar moeder en zusje waren in juli 1943 verraden.

Ottenbros kwam op een glaswagen terug naar Amsterdam. Achttien jaar oud en nog maar 32 kilo. 'Ik was verzwakt en liep op houten zolen met een linnen kap. Iemand zei dat mijn zus Miena op het Iepenplein woonde. Ze zat altijd voor het raam. Ze sliep niet meer. En toen zag ze mij ineens aan komen lopen. 'Daar heb je Beppie,' riep ze.'

Ottenbros houdt even op met vertellen, het moment staat haar nog zo voor ogen. Op nog een andere zus na is de rest van haar familie vermoord.Als Ottenbros vertelt dat ze haar eigenwaarde in het kamp is verloren, wil student Ottilie de Koning (22) van de Hogeschool Zeeland weten hoe ze die heeft teruggevonden. 'Heb ik nog wel eigenwaarde?' vraagt Ottenbros zich retorisch af.

'Dat was echt een mes in mijn hart,' zegt De Koning na afloop.

Luguber
Meine Wijnstra (23) van de Christelijke Hogeschool Ede vindt het allemaal heel dubbel. 'We zagen mensen kanoën op de Schwedtsee terwijl we weten dat de as van de vermoorde vrouwen daar is geloosd. Het is heel indrukwekkend om hier te zijn, maar ook zo luguber.'

Wat haar bijbleef, is het verhaal van de Duitse Rustow, die nooit meer door de grote poort loopt. 'Zij zei: nu kan ik eindelijk door de kleine poort van de bewakers.'

Van de Perre neemt nog even een kijkje in 'de bunker', waar de gevangeniscellen waren. Er liggen attributen uit de oorlog: kleding, zelfgemaakte sieraden en een bank waarop de vrouwen door de Aufseherinnen werden mishandeld. 'Hier werd ontzettend geslagen en gemarteld. De vrouwen mochten buiten nooit gewoon lopen, ze moesten rennen.'

Elk land heeft een cel ingericht. In de Nederlandse cel ligt een boek met namen van de gevangenen. De naam Van de Perre ontbreekt. Haar schuilnaam Marga van der Kuit is wel genoteerd. Later heeft iemand met pen haar echte naam erbij geschreven. Van de Perre: 'Nou, dan sta ik er nu dus toch in.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden