Plus

Oprichter Droog: 'De eerste jaren had ik niet het gevoel dat ik serieus werd genomen'

Renny Ramakers (70), oprichter van Droog, wordt gelauwerd om haar inzet voor Dutch Design. Nu zet ze haar visie in om probleembuurten kansen te bieden. 'Je hebt professionals nodig om dromen te vertalen naar concrete ideeën.'

Renny Ramakers wordt morgen benoemd tot erelid van de Beroepsorganisatie Nederlandse OntwerpersBeeld Renate Beense

Het gekke is, voor iemand wier leven in het teken staat van design komt ze uit een weinig artistieke familie. Een heel gewoon gezin uit Friesland, dat later naar Den Haag verhuisde. Haar moeder kocht wel moderne meubels, Scandinavisch design, van dat blanke hout en teak. "Maar ik weet niet eens of ik het mooi vond, het wás er gewoon."

Woensdag wordt Renny Ramakers benoemd tot erelid van de Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers. Uit de voordracht: 'Renny Ramakers heeft nieuwe lading ­gegeven aan het begrip Dutch Design en zich als initiator, adviseur, curator, auteur, spreker en boegbeeld van Dutch Design onvermoeibaar en met groot succes ingezet om de kracht en de breedte van het ontwerpvak wereldkundig te maken.'

Fijn lachje. "Toen ik het hoorde was ik wel verrast. Dit is een heel serieuze ontwerpersclub. De eerste jaren met Droog had ik niet het gevoel dat ik serieus werd genomen. De ladekast van Tejo Remy die wij brachten, van allemaal losse laden met een riem erom, daarvan zeiden hardcore designers: 'Dat is geen ontwerp.'"

Freewheelen
"Ik denk dat mensen tijd nodig hadden om uit hun comfortzone te komen. Maar voor mij was die kast het vanaf dag één: menselijk, relevant en radicaal. En dat zijn precies mijn drie motto's."

Ze was al heel jong geïnteresseerd in musea, vanaf het moment dat ze op haar vijftiende in het Haags Gemeentemuseum een Kandinskytentoonstelling bezocht. Pas op haar 28ste ging ze kunstgeschiedenis studeren. Ze was thuis de jongste, met twee zussen en een broer, en moest eerst een beetje 'freewheelen'.

"Dat had ik nodig om los te komen van een toch wel strak gezin, om los te komen van mijn milieu. Ik wilde eigenlijk naar de kunstacademie. Maar toen ik zestien was, vond mijn vader dat niks. Later heb ik me daar niets meer van aangetrokken. Ik vond het een interessante wereld, heel intuïtief. Zoals alles wat ik doe gebaseerd is op intuïtie."

Theepot van Malevitsj
Tijdens haar studie specialiseerde ze zich in vormgeving, ze had een fascinatie voor radicale stromingen als De Stijl, Dada, Memphis, haar grote helden waren Theo van Doesburg en de Italiaanse ontwerper Ettore Sottsass. Tijdens een Russische studie-excursie, nog midden in het communistische tijdperk, had ze in de Hermitage de theepot gezien van Kazimir Malevitsj, een constructivistisch ontwerp.

"Zo geweldig, die rare theepot. Ik ben me in de achtergronden gaan verdiepen en stuitte toen op de zogenaamde productiekunst. Die stroming was gefascineerd door de Russische Revolutie, ze wilden hun kunstenaarschap daaraan ondergeschikt maken en gingen de fabrieken in. De presentaties van mijn medestudenten gingen vooral over oude schilderkunst. Maar toen ik die maatschappelijk georiënteerde stroming zag, vond ik dat veel interessanter."

Eerst ging ze doen 'wat een kunsthistoricus zoal doet': ­essays in catalogi schrijven, tentoonstellingen maken. Ze rolde van het een in het ander, kreeg een zekere bekendheid toen ze voor de Volkskrant schreef. Negen jaar lang was ze hoofdredacteur van designbladen Industrieel Ontwerpen en Items.

"Maar toen kwam het moment dat ik dacht: ik wil nu zélf iets pushen. Rond 1991 zag ik allemaal jonge ontwerpers die bijzondere dingen deden. Ze trokken zich niets aan van perfectie, ontwikkelden een andere ­esthetiek. Ze gebruikten 'rottige' materialen, zoals Piet Hein Eek met zijn sloophouten kast, werkten die niet af zoals ze dat op de academie hadden geleerd."

Wasmiddelenflesje
"Vroeger had design een hele grote D, alles was gelikt en gestyled. En er zijn nog steeds mensen met interieurs die helemaal ­Design zijn, sommigen vinden het prachtig. Maar dit was menselijk, het had ook vaak humor."

We zitten in de caféruimte van Hôtel Droog, de uitbreiding uit 2012 van designwinkel Droog in de Staalstraat. Ineens reikt ze naar de vensterbank, naar de bolle houten vaas die daar staat. "Kijk, dit! Dit is ook design! Een Braziliaans plastic wasmiddelenflesje met hout eromheen ­gedraaid. En wel in een favela in São Paulo."

Ze begon zelf stukken te verzamelen, van ontwerpers uit Utrecht, Arnhem, Eindhoven, Amsterdam. "Overal klonk hetzelfde geluid, maar op een andere manier. Alleen: het ging helemaal niet goed. Ik hield wel presentaties, maar ik verkocht niets."

Het moment kwam dat ze thuis wanhopig uitriep: 'Ik hou ermee op!' Maar haar man, toenmalig ­Mojodirecteur Leon Ramakers, zei: 'Neem de bovenverdieping van Paradiso een middag en doe het gewoon nog één keer.' "Benno Premsela, Wim Crouwel, iedereen kwam erop af. We verkochten kleine dingetjes die we inpakten in krantenpapier. Iemand zei: 'Dit moet je gaan doen in Milaan'."

Conflict
Ontwerper Gijs Bakker was er ook, hij had behang ­bedacht met gaten, dat je over oud behang kon plakken. Ze raakten aan de praat en zes weken later stonden ze in ­Milaan. "We hadden een deel gehuurd van een Palazzo en het sloeg verschrikkelijk aan. 'Wauw,' zeiden ze, 'wie zijn ­jullie?' Dutch Design bestond toen nog niet in deze context, alleen in de grafische vormgeving. We kwamen als wildvreemden uit de hemel gevallen."

Het was 1993 en de Franse krant Libération schreef dat 'een groep onbekenden uit Nederland liet zien dat eenvoud niet saai hoeft te zijn'. Dutch Design werd een internationaal begrip en Droog een succes.

In 2009 kwam het tot een conflict tussen Ramakers en Bakker, dat ook in de media bevochten werd. "Geen leuke breuk," reageert ze. "Maar ik denk dat we al eerder uit ­elkaar begonnen te groeien. Ik was al bezig me te ontwikkelen in de richting die ik nu ben ingeslagen. Droog wordt altijd geassocieerd met de winkel, met producten. Die blijven me achtervolgen."

Vacuüm
"Dat bedoel ik niet negatief, maar de Droogproducten zijn de uitkomst van een manier van denken, op een andere manier kijken naar de wereld. In die tijd was dat heel erg nodig, maar nu is het gemeengoed ­geworden; er zijn hele generaties ontwerpers die heel ­onafhankelijk werken. Wat we met Droog hebben gedaan op het gebied van productvormgeving, hebben we goed ­gedaan, maar de statements zijn ­gemaakt."

Dit jaar stond Droog voor het eerst in 23 jaar niet op de ­designbeurs in Milaan. "Ik heb het niet meer nodig, daar heb ik mijn verhaal gedaan. Diezelfde manier van denken wil ik nu elders kwijt." Door letterlijk de wijken in te gaan. Een suburb in New York, de ­Tarwewijk in Rotterdam, ­Slotervaart en de Dapperbuurt in Amsterdam. Buurten die ooit zijn ontworpen voor ­bewoners die nu de bewoners niet meer zijn, met elk hun eigen problematiek.

"Er is een duidelijk vacuüm tussen een stad top-down ontwerpen en allerlei bottom-upinitiatieven voor de bewoners. En precies dat gat, daar wil ik in zitten. Hoe ziet de buurt eruit? Hoe zou de buurt eruitzien als je luistert naar de dromen en verlangens van de bewoners? Je hebt professionals ­nodig om die dromen en verlangens te vertalen naar concrete ideeën."

Hangjongeren
Dat is waar het programma Design + Desires voor staat. Het is niet per se dat de buurt op de schop moet, legt ze uit, het zou mooi zijn als de buurt van onze projecten profiteert. Maar uiteindelijk gaat het haar om opschaling, om een veel grotere reikwijdte, een herdefiniëring van vaststaande begrippen en aannames. Concreet, in de Dapperbuurt zijn veel jeugdwerkloosheid en hangjongeren.

"Uitgangspunt is problemen te zien als kansen en mogelijkheden. Er is nu bijvoorbeeld de discussie dat vrije tijd en werk te veel door elkaar heen lopen, daar wordt ­negatief over gesproken. Maar als je werk je passie is, maakt dat niet uit. Dus hebben we onder jongeren in de Dapperbuurt een enquête gehouden: wil je van je ­hobby een droombaan maken?"

"Daarmee hebben we ze duidelijk getriggerd. Hadden we gevraagd: wil je een baan?, dan hadden er waarschijnlijk niet zo veel gereageerd. Nu hebben ruim tienduizend mensen de campagne gezien en 366 jongeren hebben de enquête daadwerkelijk ingevuld."

Uitkomsten: de meerderheid van de jongeren wil niet onder een baas werken, werkt het liefst in de categorieën zorg of creativiteit, wil anderen helpen, maar mist skills, geld en werkruimte.

Wereldverbeteraar
"Interessant, want het staat haaks op het overheidsbeleid dat uitgaat van vaste banen. Dus willen we in de Dapperbuurt een 'hub' oprichten waar jongeren worden gecoacht en op hun beurt weer anderen ­helpen. In Amsterdam alleen al zijn twaalfduizend kansloze jongeren, niet geregistreerd, de onzichtbaren. Alleen hulpverleners weten hen te vinden. Als we hen helpen, kunnen zij weer iets terugdoen voor de maatschappij. Het moet altijd boven het lokale uitstijgen."

In 2012 werd Ramakers door Time Magazine uitgeroepen tot één van de '150 women who shake the world'. Ziet ze zichzelf als wereldverbeteraar? "Wat is een wereldverbeteraar? Ik ben geïnteresseerd in de maatschappij, in mensen, in de ontwikkeling die onze samenleving doormaakt. En ik heb het idee dat we bepaalde dingen anders moeten organiseren. Daar denk ik zeker over na, maar tegelijkertijd handel ik heel intuïtief. Ik denk dat daar mijn passie ligt."

"Het is niet zozeer dat ik denk dat ik nu eens de wereld moet gaan verbeteren. Het is een andere manier van kijken naar stedelijke ontwikkeling, een andere manier van denken waar veel meer mensen dan alleen de mensen in die buurten zelf, beter van worden. In die zin ben ik een aanjager, een visionair."

Bedachtzaam: "Als je ontwerpen loskoppelt van de fysieke uitkomst, een product, ben ik eigenlijk zelf een ontwerper. Ik maak de creatieve vertaalslag die uitstijgt boven wat mensen zeggen te willen - dat hele proces zie ik ook als ontwerpen. Het ontwerpen van visies."

'Als je ontwerpen loskoppelt van de fysieke uitkomst, een product, ben ik eigenlijk zelf een ontwerper'Beeld Renate Beense
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden