Operaregisseur Lotte de Beer: 'Ik wil opera van deze tijd maken'

Op 25 augustus wordt de Amsterdamprijs voor de Kunst uitgereikt. In deze serie komen de negen genomineerden aan het woord. Aflevering 8: Lotte de Beer (1983), operaregisseur en artistiek leider van Operafront.

Lotte de Beer: 'Het is dus niet zo dat het doek open gaat, je grijze muren en een flikkerend licht ziet en meteen denkt: o ja, zo'n stuk' Beeld Eva Plevier

Nog maar net afgestudeerd aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten won Lotte de Beer in 2009 de Ton Lutz Award voor 'grootste regietalent'.

Inmiddels heeft ze alweer zo veel opera's geregisseerd, en ook nog op aansprekende, internationale plekken (Theater an der Wien, de Münchener Biennale, Holland Festival, Opera Leipzig), dat je haar ­gearriveerd zou kunnen noemen - al zal ze dat zelf krachtig tegenspreken.

Maar iedereen die haar enscenering van Humperdincks Hänsel und Gretel bij De Nationale Opera zag, of Puccini's La bohème in het Grachtenfestival, zal ­beamen dat Lotte de Beer buitengewone dingen maakt. Dat ze voor de Amsterdamprijs is ge­nomineerd in de categorie Bewezen Kwaliteit is dus geen verrassing.

De Beer 'breekt met haar producties van topniveau het behoudende opera­bastion open met nieuwe, eigentijdse ­vormen,' aldus het juryrapport.

Wat kenmerkt uw werk?
"Je bent zelf de laatste die dat ziet natuurlijk. Ik zou zeggen dat ik een zoektocht onderneem om opera's die soms eeuwenoud zijn te verbinden met het heden. En de laatste tijd heb ik daarvoor een nieuwe manier gevonden."

"Ik ben opgevoed met het ideaal van het zogenoemde regietheater, waarbij wordt uitgegaan van een esthetiek die je gerust lelijk mag noemen; die nihilistisch en choquerend is. Ik probeer juist iets anders te zoeken, ook omdat ik me niet hoef af te zetten tegen een negentiende-eeuws schoonheids­ideaal."

Ik wil het juist zo inclusief mogelijk maken, met beelden die het publiek als een paard van Troje een handreiking kunnen geven en zo op zoek te gaan naar de diepere lagen en interessantere gedachtelijnen in het stuk."

"Het is dus niet zo dat het doek opengaat, je grijze muren en een flikkerend licht ziet en denkt: o ja, zo'n stuk. Ik proef dat operapubliek die stukken ook niet meer wil zien. Zeker in Duitsland, waar ik veel werk, merk ik dat."

"In Amsterdam zijn we natuurlijk zeer verwend door Pierre Audi, die een operaklimaat heeft gecreëerd waarbij er een grote openheid is. Er bestaat hier weinig angst voor nieuwe ­muziek, voor nieuwe esthetieken, voor nieuwe ideeën. Abstract wordt net zo gewaardeerd als figuratief."

"Dus Amsterdam is voor mensen als ik een veilige haven. Maar op heel veel andere plekken is het veel moeilijker. Ik heb bijvoorbeeld net in Israël een opera gemaakt, een herneming van mijn Weense productie van De ­parelvissers, waarbij ze daar echt voor de allereerste keer kennismaakten met een moderne benadering. Daar waren vooraf grote zorgen over!"

Hoe manifesteert u zich in Amsterdam? Wat voor raakvlakken heeft uw kunst met Amsterdam?
"Ik heb ervoor gekozen om van Operafront een Amsterdams gezelschap te maken, omdat ik me Amsterdammer voel. Al mijn grootouders hebben er gewoond en ik woon er zelf ook al heel lang. Maar als freelance opera­regisseur ben je voortdurend werkzaam in andere culturen, of dat nou in Israël of München is, en dan merk je dat niets vanzelfsprekend is. De kleur bruin, om maar wat te noemen, betekent overal iets anders."

Daarom is het fijn om ook in Amsterdam te werken, waar ik de esthetische taal ken, waar ik thuis ben. Omdat we met Opera­front willen investeren in de opera van de toekomst, vind ik het belangrijk dat te doen op een plek waar de communicatie vanzelfsprekend is. De open en nieuwsgierige mentaliteit in de stad zijn voor een kunstenaar buitengewoon prettig."

Een van de criteria is 'creatief ondernemend'; wat doet u om uw kunst onder de mensen te krijgen?
"Het zou voor mij veel makkelijker zijn om als freelanceregisseur gewoon mijn werk te doen in luxueuze operahuizen over de hele wereld, waar je alle ruimte krijgt om je kunst te maken. Toch wil ik heel graag één keer per jaar met Operafront bijeenkomen om te werken onder veel primitievere omstandigheden en met veel minder geld, waar ook nog eens enorm hard aan getrokken moet worden."

"Fondsen en sponsoren zoeken, vrijwilligers enthousiasmeren. We willen vanuit het niets iets scheppen dat we belangrijk vinden. En zo kunnen we helemaal precies doen wat we willen en iets maken om jonge mensen bij de kunstvorm te betrekken."

Wat doet u over tien jaar? Wat zijn uw plannen?
"Als je me dat tien jaar geleden had gevraagd, had ik nooit durven hopen dat ik zou doen wat ik nu doe. Ik leef in een droom. Maar m'n ambities zijn niet alleen maar gast te zijn in een operahuis. Ik wil er zelf verantwoordelijkheid voor dragen."

"Ik denk dat het belangrijk is dat mijn generatie operahuizen gaat leiden. Ik wil ook geen klagende kunstenaar zijn, maar iemand die opera's maakt die noodzakelijk bij onze eigen tijd horen, die communiceren, die zijn wat wij als maatschappij nodig hebben, waardoor de kunstvorm kan blijven bestaan."

Als u zelf niet wint, wie moet er dan winnen, en waarom?
"Annejet van der Zijl? Ik heb Sonny Boy gelezen. Prachtig boek. Maar nu doe ik Maria Barnas tekort, want ik ken haar gedichten nog niet."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden