Op zoek naar de beste speeltuin

Kinderen willen buiten spelen. En ze hebben het nodig ook. Amsterdam telt 1300 speelplekken. Het Parool zoekt de beste.

Als totempalen moeten ze zijn, de speeltuinen in de stad. Goed ingerichte speelgebieden waar kinderen met magneetkracht naartoe getrokken worden en waar ze elkaar ontmoeten. Sociaal-geograaf Lia Karsten doet al jaren onderzoek naar kinderen in de openbare ruimte. De totempaal is het symbool van haar ideale speeltuin, en daarvan zijn er nog lang niet genoeg.

Niet dat het Amsterdam aan speeltuinen ontbreekt. Na de bouw van die eerste openbare speeltuin eind negentiende eeuw op het Weteringcircuit volgden nog veel meer klimpalen, schommels en glijbanen. Hoeveel precies weet de gemeente niet. Toen de landelijke overheid een paar jaar geleden overwoog alle gemeenten te verplichten drie procent van het woonoppervlak te bestemmen voor speellocaties, sloeg ambtenaar Niek Bosch aan het tellen: ''Dat doe ik even, dacht ik. Maar het kostte mij een jaar en drie stagiaires voordat wij er achter waren.''

Dat komt omdat in Amsterdam de speeltuinen en kleinere speelplekken de verantwoordelijkheid zijn van de stadsdelen. En die hebben allemaal een eigen idee over wipkippen, zandbakken en schommels. Drie stadsdelen konden zelfs helemaal geen antwoord geven op de vraag waar hun speelplaatsen waren. Uiteindelijk heeft de Dienst Ruimtelijke Ordening zelf maar een schatting gemaakt en nu houdt Amsterdam het op circa 1300 speelplaatsen.

Veel van die speelplekken zijn tussen 1950 en 1975 ontworpen door architect Aldo van Eijck. Er waren in 1930 weliswaar al dertig grote speeltuinen waar kinderen tegen betaling konden spelen, maar pleintjes met speeltoestellen waren er toen nog niet. In 1947 werd er bij wijze van experiment op het Bertelmanplein in Zuid naar ontwerp van Van Eijck een speelplaats met zandbak, banken en duikelrekken aangelegd. Met de toename van het aantal auto's groeide het verlangen naar afgebakende plekken om te spelen. Waren er in 1950 nog zestienduizend auto's op 186.245 kinderen, inmiddels staan er voor elk kind op de stoep twee auto's op straat.

Anno 2009 zijn er van de 850 speelplaatsen van Van Eijck nog maar honderd in redelijk originele staat. De andere zijn bebouwd of voorzien van modernere speeltoestellen. Echt grote speeltuinen, met een beheerder, wc en gebouw zijn er na de Tweede Wereldoorlog maar mondjesmaat bijgekomen. Uit een inventarisatie van de gemeente bleek dat steeds meer schoolpleinen, die voorheen als speelruimte dienden, uit angst voor vandalisme en diefstal de afgelopen jaren van een hek waren voorzien.

Zelf telden we zo'n vijftig speeltuinen die het predikaat 'omfietsspeeltuin' verdienen. In recente uitbreidingswijken als De Aker, het Oostelijk Havengebied of IJburg struikel je weliswaar over de kinderen, maar flinke speeltuinen zijn daar niet te vinden. ''Bij de plannen voor IJburg hebben we nog meegepraat over een grote speeltuin die ook voor gehandicapte kinderen toegankelijk zou zijn,'' zegt Kees Cramer. Hij werkt voor de Nuso, een organisatie die speeltuinen adviseert en begeleidt. ''Maar daar heb ik later nooit meer iets van gehoord.''

Lia Karsten schreef enkele jaren geleden het boek Oases in het beton. Omdat kinderen steeds minder vrij buiten spelen (door clubjes en naschoolse opvang) en de ruimte om buiten te spelen ook nog eens afneemt, pleit ze voor meer 'totempalen'. Ze onderstreept in het boek het belang van buitenruimte voor de jeugd: 'Dat belang is in de literatuurstudie grondig onderbouwd. Kinderen die veel en vaak buiten komen, ontwikkelen zich in motorische, cognitieve, creatieve en sociale zin beter dan kinderen die dat niet doen.''

Deskundigen kijken met verbazing naar de nieuwe Amsterdamse uitbreidingswijken. Cramer: ''Ze willen mensen lokken met een sneltram, maar een mooie speeltuin lokt toch nog veel beter?'' Het is niet dat er in de nieuwe wijken geen speelplekken zijn: het barst er van de glijbaantjes en schommels, om over vrije veldjes niet te spreken, maar allemaal kleinschalig, versnipperd over de wijk en onbeheerd. Ambtenaren dachten dat de vele tuinen als speelplekken konden dienen. Overlast wordt al snel gevreesd. Ontmoetingsplekken zoals in de oude arbeiderswijken, ontbreken daardoor.

Vrijwel alle stadsdelen hebben een speelbeleid, maar geen geld. Terwijl, zo mopperen zowel de belangenorganisatie Nuso als Jantje Beton, er bij problemen opeens genoeg geld is. Dan knappen stadsdelen speelplaatsen op, komen er speeltuinwerkers bij. Het voorkomt bijvoorbeeld dat één groep kinderen de speeltuin 'kaapt', zoals nu af en toe in de stad gebeurt.

''Zorg dat je problemen voor bent, leer ze met elkaar spelen,'' zegt Froukje Hajer van Nationaal Fonds Jantje Beton. Cramer: ''In Groningen waren er zelfs jongeren die bewust herrie gingen schoppen omdat ze dan wél kregen wat ze wilden. Waarom gaan politici nooit eens op bezoek bij speeltuinverenigingen waar het wél goed gaat? Of stellen ze geen speeltuinwerker aan voordat er overlast komt?''

Veel speeltuinverenigingen, met beheerder en soms ook een klein gebouw, moeten knokken voor hun bestaan. Ze draaien van oudsher op vrijwilligers. Speeltuinvereniging Westerkwartier ging onlangs ter ziele bij gebrek aan animo in de buurt. Toch gelooft Cramer niet dat speeltuinen niet meer op vrijwilligers kunnen rekenen. Mensen willen zich misschien minder uren inzetten, maar dat is een kwestie van een goede planning, meent hij.

Wat het de speeltuinen in zijn ogen lastiger maakt, is de bemoeienis van welzijnswerk, de strenge normen voor voedsel en speeltoestellen. Cramer: ''Het aantal regels neemt almaar toe.'' Zandbak? Bacteriën! Klimboom? Maximale valhoogte!

Meer speelruimte creëren zit hem niet alleen in aanleggen van voetbalvelden, het neerzetten van toestellen en zorgen dat er voor alle leeftijden, jongens én meisjes wat te doen is. Ook leuke randjes langs perken, fijne hekjes om aan te hangen, veldjes zonder hondenpoep en brede stoepen dagen kinderen direct voor hun deur al uit tot spelen.

Jantje Beton is groot voorstander van 'het vrije spelen' en zet zich juist in voor speelruimte op straat. Hajer: ''Een wipkip ziet er leuk uit, maar het prikkelt de fantasie niet. Een tak is veel leuker, die kan een mannetje worden, maar ook een lepel. In de stad zijn steeds minder van die rommelgebiedjes, daarom moeten ze desnoods binnen de speeltuinen gecreëerd worden.''

Natuurspeeltuinen zijn hip, en ook de klassieke speeltuinen maken plekken waar kinderen lekker met water, zand en hout kunnen klooien. Maar ook hier zijn wetten en praktische bezwaren, want aan dat hout zitten natuurlijk spijkers en splinters. Kinderen zouden eens vies worden! En er valt zo goed fikkie mee te stoken.

Heel incidenteel komt er in de stad een speeltuin bij. Actieve bewoners kunnen wel beweging in het ambtelijk apparaat krijgen. Een groep bewoners uit de Banne wist de deelraad in Noord te overtuigen: in juni 2001 werd de Zeeslag geopend. Een grote groene avontuurlijke speeltuin mét toezicht. Plannen voor speeltuinen worden niet altijd uitgevoerd, maar als alles goed gaat komen er de komende jaren speeltuinen bij: in het Diemerbos, de Tolhuistuin, aan de Sloterplas en in de Osdorper Polder. In de Spaarndammerbuurt komt een Jan Wolkerstuin. Emmer, bal en zonnebrand liggen klaar. Kom maar op met die totempalen! (MARIEKE MONDEN)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden