Plus

Notabelen uit Weesp verhoogden aanzien met zwarte bedienden

Weesper notabelen hadden in de achttiende eeuw soms Afrikaanse bedienden. Het werkte status­verhogend. Museum Weesp heeft er een tentoonstelling aan gewijd.

Amone Sophia Frederike gravin van Limpurg-Sontheim - echtgenote van de Weesper notabele Bertrand Philips graaf van Gronsveld-Diepenbroick-Impel - met bediende geportretteerd rond 1740 Beeld Sanne Zurne
Amone Sophia Frederike gravin van Limpurg-Sontheim - echtgenote van de Weesper notabele Bertrand Philips graaf van Gronsveld-Diepenbroick-Impel - met bediende geportretteerd rond 1740Beeld Sanne Zurne

Ooit werd in Weesp het eerste porselein van Nederland gemaakt. Lang duurde het niet - de fabriek waar het gebeurde bestond slechts tien jaar - maar het leverde veel later wel een eigen ruimte in Museum Weesp op. Daar hangt ook een rond 1740 geschilderd portret van de Duitse moeder van de fabrikant, Bertrand Philips graaf van Gronsveld-Diepenbroick-Impel.

Aanvankelijk valt het nauwelijks op, maar naast de adellijke dame staat nog iemand. Een donkere jongeman, voor in de twintig zo te zien, onmiskenbaar Afrikaans. "Eerst was hij echt niet te zien," zegt Lisette Zijp, conservator van het op de bovenste verdieping van het Weesper stadhuis gevestigde museum. "Pas na een grondige reiniging van het schilderij werd duidelijk dat er nog een figuur op stond: haar donkere bediende."

Nederlands slavernijverleden
Uit de Schaduw heet de tentoonstelling die Zijp maakte over Afrikaanse bedienden bij Weesper notabelen. Het is een kleine tentoonstelling, die past in één miniem vertrek van het toch al niet heel ruim bemeten Museum Weesp.

Maar het is ook een belangrijke tentoonstelling, nu het Nederlandse slavernijverleden meer dan ooit in de belangstelling staat. Je zou Uit de Schaduw kunnen zien als een opmaat tot de grote slavernijtentoonstelling in 2020 in het Rijksmuseum.

Het portret van de moeder van de porselein­fabrikant is niet het enige schilderij dat Museum Weesp bezit waarop een Afrikaanse bediende is te zien. Ook zijn echtgenote poseerde voor een schilderij met naast haar een zwarte jongen, die eerst Cocquamar Crenequie heette, maar na te zijn gedoopt de naam Willem Frederik Phillippe kreeg.

De rijkdom straalt van het schilderij, maar toen de graaf kwam te overlijden liet hij zijn vrouw berooid achter: ze moest het voor die tijd enorme bedrag van 3000 gulden lenen om de meest dringende schulden te betalen.

Verzoek om uitleen
Een verzoek om uitleen van het schilderij door het Haags Historisch Museum, dat vanaf september een tentoonstelling heeft over Afrikaanse bedienden aan het Haagse hof, bracht Lisette Zijp tot het idee eerst zelf een tentoonstelling over het onderwerp te organiseren: de collectie van het museum en het stadsarchief van Weesp boden daar genoeg mogelijkheden toe.

Dat Nederlandse notabelen in de achttiende Afrikaanse huisbedienden hadden, zoals in Amsterdam, was bekend. Maar het verbaast toch enigszins dat het ook in een klein stadje als Weesp praktijk was. "Meer dan zes, zeven zullen het er ook niet zijn geweest," zegt Zijp.

"Weesp was klein, maar wel rijk. Er was hier anders dan in andere plaatsen aan de Vecht veel bedrijvigheid en zeker de jeneverstokers verdienden goed. In de achttiende eeuw pronkten rijken met een zwarte bediende. Het werkte statusverhogend."

Boven water
Het woord bediende lijkt een eufemisme voor slaaf, maar slavernij bestond niet in Nederland. Het land dat handelde in slaven en ze liet werken op plantages in de eigen kolonies, stond op eigen bodem geen slavernij toe. Afrikaanse huisbedienden in Nederland waren na beëindiging van hun betrekking dan ook vrij om te gaan en staan waar zij wilden. Oud kon je in zo'n betrekking niet worden, ontdekte Zijp: "In archiefstukken werd een voormalige bediende van 25 al bejaard genoemd."

De tentoonstelling Uit de Schaduw richt zich op vier Afrikanen die huisbediende waren in Weesp. Van slechts één (eerdergenoemde Willem Frederik Phillippe) weten we hoe hij eruitzag. Veel is er over de vier Afrikanen niet bekend, alleen van de Christiaan van der Vegt genoemde bediende van de Weesper burgemeester Abraham d'Arrest is zijn levensloop gereconstrueerd.

De feiten zijn grotendeels boven water gehaald door Annemiek van der Vegt, een witte Nederlandse die er door stamboomonderzoek achterkwam dat zij een verre nazaat van deze Christiaan is.

Achterachterachterkleindochter
Die uitkomst liet haar als achterachterachterkleindochter niet meer los. Ze doorzocht archieven, ging naar Afrika. Op haar website 'Hoe heette Christiaan?' houdt ze een verslag bij van de speurtocht naar haar Afrikaanse voorvader. Diens echte naam heeft ze niet weten te achterhalen, maar waarschijnlijk werd hij in 1743 geboren en al op vijfjarige leeftijd naar Nederland gebracht.

Mogelijk werd hij daar 'geschonken' aan Stadhouder Willem IV. Na zijn tijd als huisbediende in Weesp werkte Christiaan van der Vegt onder meer als pijper (fluitist) bij de schutterij, lantaarnopsteker, en turf- en korendrager. Hij eindigde als toneelspeler op de kermis, waar hij de rol van Moorse koning speelde. Uit zijn huwelijk met de Weespse Kaatje de Bas kwamen tien kinderen voort.

Uit de Schaduw, Museum Weesp, Nieuwstraat 41, Weesp, t/m 31/8. Informatie over Christiaan van der Vegt is te vinden op www.hoeheettechristiaan.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden