'Nooit buiten, leef je dan eigenlijk wel?'

Roos Schlikker Beeld Linda Stulic
Roos SchlikkerBeeld Linda Stulic

De feestverlichting boven de straat schreeuwt het uit. Gisteren kwam een jongen met een minihoogwerker, een contradictio in terminis die altijd op mijn lachspieren werkt. Hij zoefde omhoog, spijkerde een streng versiering aan de gevel van de overburen om vervolgens naar de overkant te zweven en het andere eind aan ons huis vast te maken. "Ik ben van de lampies," riep hij me overbodig toe. Zigzaggend hing hij de straat vol.

Nu, om half zeven 's morgens, terwijl het donker de stad nog insluit, blèren ze me hysterisch toe. 'Het is bijna kérst!' brullen de rode. 'Feest feest feest!' gillen de witte. 'Hallooooooo! Zijn we een beetje blijhij?' tetteren de groene.

Ik wil dat ze hun kop houden. Bij ons binnen klinkt al genoeg lawaai. De kinderen staan in hun pyjama voor het raam te springen en te wijzen. Opnieuw gaat er een elektrische ladder de lucht in. Dit keer niet met opgelegde feestelijkheid maar met verlossing. Hopelijk.

Brandweermannen zijn zojuist het huis van onze overbuurvrouw binnengestampt. Haar Jordanese rimpelvitrage trilt als ze er langs klossen. Met veel moeite schroeven ze het kozijn uit het raam los. Het standaard valrekje verhindert dat ze er makkelijk bij kunnen. Een ironisch hekje is het. Deze buurvrouw opent nooit haar ramen, laat staan dat ze naar beneden kan
tuimelen.

"Ik wist niet eens dat er iemand woonde," bromt mijn man. Ik wel. Ik had eens een schim zien bewegen. Stram. Als in slow motion. Toen verdwenen haar contouren weer.

"Ze komt nooit buiten," zeg ik.

"Wat?" Mijn oudste zoon kijkt me verwilderd aan. "Maar dan kan ze nooit voetballen!"

Ik knik. "Nooit buiten," zucht hij nog eens dramatisch. "Leef je dan eigenlijk wel?"

Natuurlijk, wil ik roepen. Maar ik weet dat ze geen bezoek krijgt. Dat de enige verlichting in huis het blauw van de televisie is. En ik denk aan die andere buurvrouw, die zich ook niet toonde. Slechts een keer per week haalde ze een wit bolletje in de broodjeszaak. Filet americain. Met een uitje.

Toen ze een weekje niet kwam, sloeg niemand alarm. Nadat dat was uitgemond in een maand, was de straat haar al vergeten. Pas een half jaar later is ze gevonden. Ze schijnt alleen begraven te zijn.

Ik denk aan haar als de brandweer het raam aan de overkant eindelijk heeft losgewrikt. Langzaam schuift een brancard uit het donkere gat. De buurvrouw heeft haar ogen dicht.

Balancerend op het liftbakje vliegt ze langs de daken. Bijna als Icarus, maar het is geen hoogmoed die haar de lucht in tilt. Eerder misschien angst, ouderdom, alleen zijn, je trap niet meer af kunnen. Hoeveel zijn er deze weken zoals zij, stadse engelen, bevrijd uit hun huis, gadegeslagen door twee veel te levendige jongetjes in groene dinopyjama's?

"Dag mevrouw," mompelt mijn zoon. "Komt ze ooit nog terug, mam?"

"Geen idee."

"Nou, ze is nu in elk geval eindelijk buiten geweest," roept hij monter en holt weg. Zijn voetbal stuitert met hem de trap af.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool. Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden