Plus Analyse

Ninsee zit klem tussen witte politiek en zwarte achterban

Met zijn oproep tot samenwerking roept de nieuwe directeur van het slavernijinstituut Ninsee ook wrevel op. Een deel van de achterban ziet liever een gebalde vuist dan een uitgestoken hand.

De nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij in het Oosterpark Beeld ANP

Het is vanaf de oprichting in 2001 steeds het grote probleem geweest van het slavernijinstituut Ninsee: het onderhouden van een goede relatie met zowel de witte politieke en culturele elite die de touwtjes nu eenmaal in handen heeft, als met de zwarte achterban, met name de zogenoemde grassroot-organisaties die verwachten dat het instituut met de vuist op tafel slaat als dat nodig is.

De opdracht zorgt voor een permanente spagaat die vaak zichtbaar wordt tijdens de jaarlijkse herdenking op 1 juli in het Oosterpark van de afschaffing van de slavernij.

Rechts van het beeld van Erwin de Vries steevast de hoogwaardigheidsbekleders en genodigden op hun stoelen, links de achterban van het instituut, niet zelden voor de gelegenheid gewapend met spandoeken en protestborden.

Het is aan elke nieuwe directeur van het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis om de balans te bewaken. Urwin ­Vyent, die donderdag aan de slag gaat bij het Ninsee, maakte meteen duidelijk dat hij een verbinder en bruggen­bouwer wil zijn.

Nadrukkelijk ook met de welwillende witte Nederlanders die hij beschouwt als bondgenoten en niet als nazaten van de verantwoordelijken voor de slavernij.

Verstandig besluit
Dat is een moedig standpunt, evenals de oproep om toch vooral kracht te putten uit de geschiedenis.

De voorouders van Vyent, woonachtig in het district Para in Suriname, kochten na de afschaffing van de slavernij de plantage waarop zij eerder gedwongen hadden gewerkt.

De dagelijks bestuurder in Zuidoost wijst er graag op dat die verhalen een bron van inspiratie kunnen zijn, maar onvoldoende worden uitgedragen.

Het is ook wel een verstandig besluit, want het Ninsee heeft de hulp van met name het kabinet en de gemeente Amsterdam hard nodig om weer een instituut te worden dat die naam waard is.

Na zware bezuinigingen telt de organisatie nog maar vier parttime medewerkers, onder wie de directeur. Over het algemeen doen subsidieverstrekkers liever zaken met een begripvolle bestuurder dan met een schreeuwende activist.

Maar de steun van de achterban is net zo goed onmisbaar, zeker in de komende jaren. Er wordt al een onderzoek gedaan naar de komst van een slavernijmuseum, en zeker als GroenLinks weer bestuursmacht krijgt in de stad, zullen die plannen voortvarend worden aangepakt.

Wil het Ninsee een rol van betekenis spelen in dat proces, dan zal er blijvend rust in de tent moeten komen.

Vier directeuren
Ook dat is een zware verantwoordelijkheid voor de nieuwe directeur. Alleen al zijn aanstelling leidde deze week tot een brandbrief van het ­Landelijk Platform Slavernij aan het bestuur van het Ninsee met het vriendelijke verzoek op te stappen.

Tegelijkertijd is dit ook wellicht de laatste kans voor het instituut, dat in vijf jaar vier directeuren zag komen en gaan. Dat is veel te veel, zelfs voor een voetbalclub, laat staan voor een instituut dat gezag wil uitstralen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden