Column

Moslim kan net als katholiek democraat zijn

Montesquieu, de vader van de moderne democratie, vond de islam niet verenigbaar met een gematigde staatsvorm. Maar de Franse filosoof verkondigde wel meer opvattingen die later niet bleken te kloppen. Zo meende hij dat een monarchie beter past bij het katholicisme, met zijn zichtbare leider in het Vaticaan, en een republiek beter samengaat met het onafhankelijke en vrijheidslievende protestantisme.

Of heeft Montesquieu alleen schijnbaar ongelijk gekregen? De monarchieën in het noorden van Europa hebben, ondanks vorstelijke pracht en praal, een sterk republikeins karakter, terwijl de republieken in Latijns Europa vaak paternalistische trekken vertonen.
Zou hij dus ook gelijk hebben met zijn visie dat een despotie beter past bij de islam, terwijl het christendom zich 'met de zachtmoedigheid waarop in het evangelie zo wordt aangedrongen tegenover de razernij plaatst waarmee een tiran zijn wrede bewind uitoefent'? Het antwoord is van belang voor de kijk op de actuele gebeurtenissen in Egypte en andere landen in de islamitische wereld. Uiteraard geldt dat ook voor Europa, waar de immigratie van moslims zoveel politieke spanningen veroorzaakt dat zelfs de vraag is gerezen of welke religie dan ook wel past bij democratie.
Montesquieu had een optimistische kijk op de rol van het christendom. In zijn werk 'Over de geest der wetten' schreef hij: "Is het niet prachtig? De christelijke godsdienst, die alleen gericht lijkt op een gelukzalig leven in het hiernamaals, maakt ons ook in dit aardse leven gelukkig."
Montesquieu werd geboren precies honderd jaar voordat in 1789 de Franse revolutie uitbrak, die op bloedige wijze afrekende met de invloed van de kerk en een tegenstelling in het leven riep tussen religie en rede die nog altijd doorwerkt in het publieke debat in Europa. Alexis de Tocqueville schreef naderhand dat van de hartstochten die uit de Revolutie zijn voortgekomen de bestrijding van de godsdienst het eerst is ontstaan en het laatste is uitgedoofd (een voorbarige opvatting zoals is gebleken; Nederland dankt zelfs zijn eigenaardige politieke stelsel aan de tegenstelling tussen ratio en geloof die in de negentiende eeuw opkwam).
Van belang is dat Tocqueville, die veel over het wezen van de democratie en de rol van religie in de samenleving heeft nagedacht, een essentieel onderscheid maakte. Hij stelde vast dat de haat van de revolutionairen tegen het christendom niet zozeer was gericht tegen het geloof als wel tegen de politieke macht van de kerk. "De ongelovigen in Europa vervolgen christenen als politieke vijanden, veeleer dan als religieuze tegenstanders. En het is minder de vertegenwoordiger van God die ze afwijzen in de priester, dan de vriend van de macht."
Zijn conclusie, ook na zijn ervaringen in de toen nog jonge democratie in het protestantse Amerika, was dat democratieën en religie allerminst elkaars natuurlijke vijanden zijn. "Niets in het christendom, zelfs niets in het katholicisme", schreef hij, "is absoluut tegengesteld aan de geest van democratische samenlevingen." Hij ging zelfs een stap verder met de visie dat democratie niet zonder religie kan, omdat deze de mens uittilt boven alledaagse behoeften en verlangens.
De conclusie kan zijn dat waar religie pacteert met een onderdrukkende wereldlijke macht, zoals in het Frankrijk van het Ancien Régime, of zelf een dwingende politieke macht uitoefent, als vanzelf heftige tegenkrachten oproept. Andersom kunnen religies het voertuig van zulke tegenkrachten worden, als zij door de wereldlijke macht worden onderdrukt. In die zin speelt de verboden Moslimbroederschap in Egypte een rol vergelijkbaar met die van de katholieke kerk in Polen tijdens het communistische regime of met die van het gereformeerde verzet onder de Duitse bezetting. Daarmee is nog niet gezegd dat religie of welke overtuiging ook als bevrijdende kracht voetstoots moet worden vertrouwd. De Franse revolutie verkeerde, in weerwil van haar streven naar vrijheid, gelijkheid en broederschap, in een bloedbad en eindigde door de chaos en de willekeur met de roep om een sterke leider.
De islamitische president Yudhoyono van Indonesië omschreef ten tijde van de Deense cartoonkwestie het herhaaldelijk afdrukken van de spotprenten als 'een demonstratie van gevoelloze heldhaftigheid die geen enkel democratisch doel dient'. Met die uitspraak beoogde hij niet de uitingsvrijheid geweld aan te doen, maar wilde hij waarschuwen voor het risico dat moslims zich van de democratie zouden afwenden als deze hun heilige symbolen niet kan beschermen'. Yudhoyono had recht van spreken. Indonesië laat zien dat islam en democratie kunnen samengaan.
In het gepolariseerde klimaat in Nederland waren zijn woorden boter aan de galg gesmeerd. In dezelfde periode werd hier met veel politiek geweld een WRR-rapport over de islam van tafel geveegd, dat er slechts op wilde wijzen dat de moslimwereld een grote verscheidenheid aan politieke vormen kent en niet alleen bestaat uit handenafhakkers en vrouwenstenigers, zoals populistische politici en columnisten de natie willen doen geloven.
Van het katholicisme werden in de tijd van Tocqueville net zulke angstaanjagende beelden geschetst, ook in de jonge democratieën Amerika en Nederland. Deze religie, met zijn machtscentrum in Rome, werd volstrekt onverenigbaar geacht met de democratische staatsvorm. In Nederland trad pas in 1918 de eerste katholieke premier aan, in de Verenigde Staten pas in 1961 de eerste katholieke president. Zulke processen vergen tijd, maar zij beginnen, zoals de WRR tegen de keer in onderstreepte, met scherp kijken, vooral naar de lichten die aangaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden