Column

Misschien is het de eerste zin van een meesterwerk

Roos Schlikker Beeld Oof Verschuren

"Ik snap het niet, ze hadden gezegd dat het de hele week mooi weer zou worden."

Het meisje in de koffiebar, haar mond permanent in omgekeerde U-stand alsof het lot haar dagelijks hoogstpersoonlijk aan het beledigen is, wijst naar buiten. Wolken hangen als doorzichtige gordijntjes aan de zon.

"Mijn benen zijn bleek," klaagt haar vriendin, een grietje met een spits, vogelachtig gezicht. Ze zuchten synchroon, maar al gauw gaat het gesprek over andere grote levenskwesties. Over Drake die zou optreden maar niet kwam ("Lame, hij zei niet eens sorry"), over koolhydraten ("Die kan ik meteen op m'n kont plakken") over de noodzaak van een spiraaltje ("Het doet echt fokking pijn, waarom hebben ze niet zoiets voor mannen?").

Zo babbelen de meisjes de lunch vol zoals zovelen aan belendende tafeltjes. Anderen praten niet met ­elkaar, maar kijken op hun mobieltjes en kletsen met de rest van de wereld.

De man in de hoek is de enige die alleen zit. Hij heeft geen beeldscherm, geen krant, geen klaagverhaal tegen een vriend. Hij zit gebogen over een schriftje. Zijn schrijven vordert traag. Elk woord vereist een nieuwe gedachte, zo lijkt het. Tuurt hij niet op het papier, dan kijkt hij uit het raam. Ik, mobieltje in mijn hand en ­zojuist een praatje gemaakt met de serveerster, kijk ­jaloers naar hem. Het lukt me zelden zo in mezelf op te gaan als hij.

Mijn leven bestaat uit flarden. Uit slierten gesprek, flupjes sociale media, halve aantekeningen - in mijn telefoon nota bene. Gedachtes waarvan ik gemeend heb dat ze essentieel waren, vaak midden in de nacht ingetoetst.

Ooit noteerde ik: 'Fred Teeven. Konijnenpantoffels.' Nu is Fred Teeven met meer gekke dingen in verband ­gebracht, maar waarom deze associatie zo briljant was dat ik hem moest optikken, is me een raadsel. Hij maakt deel uit van mijn vage zinnetjesmuseum, mijn halve ideeënmist die maar geen coherente massa wil worden.

Die coherentie ontstaat als ik me echt concentreer. Thuis mijn modem uitzet. Geen afspraken maak. Naar binnen keer.

De oudere man doet het hier in het café, onder mijn ogen. Als een chirurg met een scalpel snijdt hij in opperste concentratie een kroket door en smeert de witte ­ingewanden over een boterhammetje. Intussen kleeft zijn pen aan zijn onderlip. Hij pent weer een woord neer. Zo langzaamaan stel ik me voor dat hij een gevierd schrijver moet zijn, hard zwoegend op een meesterwerk. Ergens hoop ik dat.

Plotseling staat hij op en sloft naar het toilet. Ik weet dat ik het niet kan maken, maar ben zo benieuwd. Ik loer om me heen, overal gekeuvel, niemand let op me. Dan gluur ik razendsnel in het schrift.

Ik lees: 'Lieve Karlijn. Het spijt me.'

Meer is het niet. In mijn ooghoeken doemt de man weer op. Om me een houding te geven, kijk ik op mijn mobiel. Maar ik zie alleen nog zijn tekst.

Lieve Karlijn. Het spijt me. Misschien is het de eerste zin van een meesterwerk. Ik hoop het. Voor hem. En voor Karlijn.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Lees hier al haar columns terug. Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden