Column

Mijn schoonmoeder vindt Amsterdam een klerezooi

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag lees je hier haar column uit Het Parool. Vandaag: poep op de stoep, haat in de straat.

Beeld Linda Stulic

Mijn schoonmoeder, een Frans-Canadese met praktisch kapsel, praktische bril, praktische schoenen en praktisch windjack, nam drie jaar geleden een praktisch besluit. Ze liet Amsterdam voortaan links liggen.

Hoewel ik haar bedolf onder goede bedoelingen waren haar bezoekjes altijd één aaneenschakeling van gespannen momenten, afgewende blikken en woedende tirades over hoe alles in Montreal beter was. Geregeld probeerde ik de dikke lucht te klaren door een gesprek te beginnen over wasmiddelen, benzineprijzen of belastingen - onderwerpen waar ze doorgaans enorm door ­opveert - maar het hielp niet.

Ik ben simpelweg haar type niet. En Amsterdam is haar type evenmin. Drukke straten, fietsers die voetgangers afsnijden, automobilisten die een trambaantje pakken; ze keek het met een streepmond aan. Geen rechte lanen, geen dorp opgetrokken uit eendere houten woningen, geen kwinkelerende vogeltjes die erin getraind zijn hun poepjes op te houden, zoals bij haar in de streek. Nee. Poep op de stoep, haat in de straat, duiven die, volgevreten met vuilnisbakpatat, midden op de Dam jouw hoofd als landingsbaan gebruiken.

Natuurlijk wezen we haar op grachtengevels, bootjes en het genot van een Van Dobbenkroket. Ook lieten we haar kennismaken met het draaiorgel waarvoor precies op dat moment een dikbenige peuter stralend danste op Tulpen uit Amsterdam. Mijn schoonmoeder staarde star naar de punten van haar schoenen en bromde dat de muziek te hard stond. Zo konden mensen toch niet leven?

Terug in haar Canadese enclave liet ze kort weten dat dit haar laatste bezoek was geweest. Mijn schoonmoeder vindt Amsterdam een klerezooi. "Ah, een fouillis de ­choléra," grapte ik nog, maar dat bleek geen Frans te zijn.

We zijn drie jaar verder. Zeker vier keer per week sta ik scheldend te wachten achter een bierfiets, aangestaard door roedels Britten, de mannen met hun buik en de vrouwen met hun tieten ontbloot.

"Eeeeeeemsterdeeeeeeeeeeeeem! You are amaaaaaaaazing!" lallen ze. Als ik snel richting afspraak fiets, moet ik over het Damrak ­levensgevaarlijk om tientallen bezoekers slalommen die omhoog kijken, állemaal, want dat is een toeristenwet. Ik poog wijs te worden uit de wirwar die Muntplein heet ("Ik had voorrang!" "Maar ik kwam van rechts." "Wat is rechts hier eigenlijk?") en ik houd mijn blik strak op mijn voorwiel als ik door de Vijzelstraat stuiter over snackafval en gebruikte condooms uit de Reguliers. Ik kanker continu terwijl ik de stad doorkruis. Tegen trams, politieagenten, foutparkeerders en segways.

Maar dan kiert de aprilzon door het wolkendek. Bij de Eenhoornsluis proosten zakenmannen met blikjes Heineken, een café-eigenaar zet stiekem drie tafeltjes buiten, de buurtregisseur laat het oogluikend toe 'omdat 't sonnetje so lekker schijnt'. De stad zoemt zachtjes, in afwachting van de zomer. Vol warmte, drukte, en irritatie. Maar vooral vol leven.

De PvdA komt nu met een plan van aanpak om de Amsterdamse fouillis de choléra beter beheersbaar te maken. Ik wens ze succes toe. Maar ook weer niet té veel bedilzucht. Want Amsterdam is druk, vol, een ongestructureerde anarchistische klerezooi. Maar het is ónze klerezooi. Niet geschikt voor praktische schoonmoeders. Maar wel helemaal mijn type.

r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden