Column

Mijn mooie jaren op het Boekenbal

Theodor Holman Beeld Wolff

Ik loop naar het Boekenbal. Negentienhonderdzoveel. Theo van Gogh is op weg naar Hans Teeuwen en schreeuwt vanaf zijn fiets tegen me: "Ik ben benieuwd welk onwelriekend gansje van vijftig je vanavond naar je hol weet mee te slepen."

Een jaar later - ik loop weer naar het Boekenbal - kom ik Martin Bril tegen die zijn hond uitlaat. Nee, hij heeft geen zin in het Boekenbal. Hij draagt een kap om zijn nek. Iets in verband met zijn kanker. "Je kan niet dansen met dat ding om, begrijp ik," zeg ik. We ­lachen wat.

Op het Boekenbal - negentienhonderd iets later - sta ik opeens naast Harry Mulisch. We zeggen aardige dingen tegen elkaar. Dat was niet altijd zo. Ik herinner hem aan onze eerste ontmoeting, op een feest bij De Bezige Bij, in 1979. Hij vroeg toen welke schrijver ik bewonderde. ­

"Jean-Paul Sartre," zei ik. "En weet je wat jij toen antwoordde?" vraag ik aan Mulisch. "Vermoedelijk heb ik zoiets gezegd als: ik ben de Nederlandse Sartre." Dat was precies wat hij had gezegd.

Was dat ook het Boekenbal waar ik Joost Zwagerman zag? We spreken over een vriendin die we beiden 'heel goed' kennen.

"Ben je daarom boos op mij?" vraagt hij.

"Nee, ik ben niet boos," zeg ik. Hij geeft me een hand.

Eigenlijk was ik wel boos op hem, maar om zoiets futiels dat ik me schaamde om dat te zeggen. Door die hand aan te nemen wist ik dat ik nooit meer iets onaangenaams over hem kon schrijven. Weiber­geschichte zijn altijd makkelijk te vergeven als je met een andere vrouw gelukkig bent.

Op de dansvloer bots ik tegen Hugo Brandt Corstius aan. Ik schaam me, want ik had hem door mijn aanstellerige manier van dansen een trap gegeven, maar het deerde hem niet. Ik had en heb een enorme bewondering voor hem. In de Middellandse Zee zal ik mettertijd iets fluisteren over zijn mooiste kleinkind.

En ja. Ik liep eens van het Boekenbal naar huis. Half drie? Half vier?
Een totaal dronken meisje moet bij de ingang van het Vondelpark kotsen.
Ik ken haar vaag.

"Gaat het?" vraag ik.

Het ging niet, het regende maar ze kon niet meer lopen op haar pumps, haar voeten werden nat, ik steun haar en loop in de eerste regels van een mooi gedicht.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief. Reageren? t.holman@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden