Column

Mijn leven voelt verweven met dat van Anne Frank

Mano Bouzamour Beeld Floris Lok

Naar aanleiding van een groot interview in de Frankfurter Allgemeine Zeitung was ik door de burgemeester van het Duitse Bergen uitgenodigd voor een weekend verkenning en vertier. Het tripje stond in teken van drie zaken: een mogelijke verbintenis met het stadje Bergen als artist in residence, het perfectioneren van mijn Duits en op veldonderzoek gaan voor mijn tweede roman.

Hoffelijk liet Bürgermeister Rainer Prokop - een lookalike van Harmen Siezen - mij zijn bosrijke stadje zien vanuit zijn majesteitelijke Mercedes. We zoefden langs de legerkampen van de Britten die daar sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog gestationeerd waren.

Voor mijn tweede boek bezocht ik concentratiekamp Bergen-Belsen. In de hotellobby adviseerde de burgemeester mij me warm te kleden. Hij vertelde dat het landschap mij zou laten rillen. Niets daarvan was gelogen.
Een Woolrichjas (minus het bontkraagje), sjaal, muts én oorwarmers hielden mij niet warm toen ik tussen de verhoogde massagraven liep. De open vlakte was met stenen paadjes geplaveid en werd omringd door hoge bomen. Het was vroeg in de morgen. Niemand was bij het monument.

Er heerste een doodse stilte, die zo nu en dan werd verbroken door vogels die gebeden floten voor de doden. Ik kwam uiteindelijk bij het symbolische graf van Anne Frank en haar zus Margot, pakte een steentje van de grond en legde het op de grafsteen.

Onze levens lijken soms met elkaar verweven. Het motto van mijn debuutroman is de zin waarmee Anne haar dagboek begint: 'Ik zal hoop ik aan jou alles kunnen toevertrouwen zoals ik dat nog aan niemand gekund heb.'

Als kind ging ik 's zomers met mijn zus en haar vriendinnen naar het De Mirandabad. Dan liepen we steevast langs de hazelaars op het Merwedeplein, raapten we gretig de hazelnoten van de grond en wezen ze elke keer naar het huis waar Anne had gewoond. Merwedeplein 37, tweehoog. Daar woonde ze met haar familie voordat ze onderdoken in het huisje op de Prinsengracht, dezelfde gracht waar ik op dit moment zit. En in het bitterkoude Bergen-Belsen, waar ze na opgejaagde omzwervingen terecht was gekomen, stond ik voor haar graf.

Een maand voordat de Britten de boel bevrijdden, stierf ze, om uiteindelijk ergens tussen duizenden anderen hier te liggen. Gekke gewaarwording.

In de trein van Amsterdam naar Bergen kwamen twee Duitse grensagenten de treincoupé binnenstormen. Ze controleerden mijn tas. Vroegen of ik drugs bij me had. 'Jammer genoeg niet,' zei ik.

Eén van de grensagenten fouilleerde mij zonder het te vragen, wat ik een beetje vervelend vond. Ik zei: 'Ich bin Schriftsteller und ich schreibe für eine Zeitung in den Niederlanden, grote vriend.'

Hij negeerde mij compleet. Daarna verdwenen ze zonder iets te zeggen. Eventjes, heel eventjes, voelde ik mij een Jood in nazi-Duitsland.


m.bouzamour@parool.nl

Wil je reageren op deze column? Dat kan! Scroll (een beetje) naar beneden om een reactie te plaatsen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden