Column

Met zijn fietsenrek kijkt hij me stralend aan

Roos SchlikkerBeeld Linda Stulic

Toen hij twee was, begon het wrikken. Met zijn vuist in zijn mond wist hij nog net een half verstaanbaar zinnetje te produceren. "Kwijk mwam, ik web un wiebeltand!"

Telkens stelde ik mijn oudste teleur. Zijn melktandjes zaten betonvast in z'n kaak. Hij moest nog even wachten. "Maar woe lang dan?" wilde hij steeds weten. "Wanneer wen ik eindelijk oud?"

Gek is het, dat verlangen naar oud worden als je jong bent. Het liefst zouden mijn jongens de tijd vooruit kijken, want ze willen niets liever dan groot zijn. Ze willen wiebeltanden, wisselen, het signaal van volwassenheid. En ik, begin veertiger, vrees juist het moment dat ik ooit weer wiebeltanden krijg, en met een vals gebit richting de dood schuifel.

De afgelopen jaren wrikte mijn zoon zich een ongeluk. Opeens had hij resultaat. Er kwam een lichte beweging in zijn gebit. Het leven stond niet meer stil. "Wanneer valt hij er nou uit?" vroeg hij hijgend, zijn voortand minimillimeters heen en weer harkend. "Ik weet het niet, je moet geduld hebben. Echt. Je kunt niets forceren in het leven," zei ik wijs.

Want zo is het. Zoals mijn generatie een verloren race loopt tegen de ouderdom door zich plat te botoxen, te ontbijten met ontslakkend citroenwater, racefietsen te kopen en zich lenig als verse krakelingen proberen te houden door wekelijks yogaklasjes te volgen, zo poogt het kind zichzelf van het ene op het andere moment groot te laten zijn. Het werkt allebei niet. Tegen de natuur valt niets in te brengen. En misschien is dat wel wondermooi.

Dat moet ik mijn jongen toch eens uitleggen, denk ik op een avond als ik hem naar bed heb gebracht. Morgenochtend bij het tandenpoetsen, dat is een goed moment.

Maar dan klinkt uit zijn slaapkamertje een luide kreet. "Maaaaaam!" Meteen staat hij voor me. Mijn zoons gezicht ziet eruit alsof hij aan een kooigevecht heeft deelgenomen. Zijn ogen staan verwilderd. De handjes wapperen in de lucht. Dan opent hij zijn mond. Rood kletst op de badkamervloer. Hij grijnst. "Kijk mam! Ik heb hem er zelf uit gedreeën!"

Ik staar recht in het zwarte gat, waar zijn tong lustig doorheen roert. Ik wil van alles zeggen. Dat hij krank­jorum is. Met zijn ongeduld. Wie draait er nou een tand die nauwelijks los zit uit zijn mond? Dat hij moet stoppen met haasten. Dat hij me al te groot is en dat ik soms verlang naar het tandeloze baby'tje dat ooit als een kangoeroejong tegen me aan lag.

Dat oud worden veel te rap gaat. Ik wil het allemaal kwijt, maar sta met mijn mond vol tanden. Hij ziet er zo gelukkig uit met zijn baard van bloed. In staat zijn leven al een beetje in eigen hand te hebben. Ik pak een doosje en berg de tand des tijds op. Afgebrokkelde jeugd. Met zijn fietsenrek kijkt hij me stralend aan. "Mooi hè, mam?" Ik aai zijn bebloede wang. "Wondermooi."

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool. Lees hier al haar columns terug. Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden