PlusHongerwinter 1944-1945

Met een pannetje in de rij voor ‘sokkensoep’

Ruim 20.000 mensen uit West-Nederland stierven tijdens de Hongerwinter in 1944-1945. In Amsterdam werd het aantal gaarkeukens uitgebreid. Die Port van Cleve aan de Spuistraat was daar één van.

Wachtende mensen bij de Centrale gaarkeuken in de Spuistraat.Beeld Hollandse Hoogte / Nederlands Fotomuseum

De gaarkeuken was aanvankelijk niet erg populair bij de Amsterdamse bevolking. Dat kwam deels door de bemoeienissen van de nationaalsocialisten bij het verstrekken van de warme maaltijden. 

Dat werd anders na de geallieerde invasie in het najaar van 1944, toen de huishoudens werden afgesloten van gas en elektriciteit om brandstof te sparen en de nationaalsocialisten uit de gaarkeukens waren gewerkt. Lange rijen uitgehongerden stonden, met pannetje in de hand, voor een gaarkeuken te wachten.

Bomen gekapt

Brandstof was in die tijd niet meer voorhanden. Amsterdammers gingen de straat op om houten blokjes uit de tramrails te verzamelen. ‘Binnen een paar uur haalden de Amsterdammers de tramrails bij de Koninginneweg, met 275.000 straatblokjes, volledig uit elkaar,’ schrijft Ingrid de Zwarte in haar boek De Hongerwinter. Ook ­lege huizen in de voormalige Joodse wijken werden gestript op hout en bomen werden gekapt.

De gaarkeukens, die in 1940 waren opgericht voor bijvoeding van arbeiders en kinderen, moesten in de Hongerwinter een groot deel van de bevolking van voedsel voorzien. Een van de gaarkeukens was gevestigd in Die Port van Cleve aan de Spuistraat 133, een restaurant waar de gegoede burgerij, zakenlui, artiesten en schrijvers over de vloer kwamen. Deze gaarkeuken was in 1942 op verzoek van de stichting Centrale Bedrijfs­keuken Amsterdam ten zuiden van het IJ opgericht. Directrice Paula Kappelle, moeder van drie jonge kinderen, zwaaide er de scepter. Het eten werd door hulpen in de kelder klaar­gemaakt: een soort soep van onder meer aardappelen en bloembollen.

Paula’s man, Willem Kappelle directeur van het restaurant, was hierbij niet betrokken. Hij zat ondergedoken voor de Arbeitseinsatz.

Derk Kappelle (73), de zoon van Paula Kappelle, heeft nog foto’s van zijn moeder in de gaarkeuken. “Wij wisten wel dat onze moeder de gaarkeuken bestierde. Maar zelf heeft zij er na de oorlog weinig over gesproken. Het boek was gesloten. Als kind vroeg je er verder niet naar.”

Derk Kappelle. De moeder van Derk runde de gaarkeuken in de Port van Cleve aan de Nieuwezijds Voorburgwal.Beeld Marc Driessen

Zingen voor voedselresten

In Die Port van Cleve, waar drukkerij Joh. Jesse eind 1944 elektriciteit tapte voor het drukken van het illegale Parool, is in totaal 5.247.889 liter voedsel bereid. Zijn moeder, zegt hij, deed dat uit goedhartigheid. “Ze was betrokken bij de minderbedeelden. Ik weet dat kinderen uit de Jordaan in de oorlog vaak beneden zaten te eten. Mijn moeder had later ook een goede relatie met het Leger des Heils.”

Over zowel de porties als de kwaliteit van het eten in gaarkeukens werd geklaagd. In de maaltijden werd ‘hongervoedsel’ als tulpenbollen en suikerbieten verwerkt tot soep, pap of stamppot. De ‘maaltijden’ waren karig en saai. De mensen, schrijft De Zwarte, gaven allerlei benamingen aan de slecht smakende soep: ‘cementsoep, sokkensoep of muizenstaartsoep.’

De voedingswaarde van de maaltijden daalden snel. Een maaltijd was niet voldoende om op de been te blijven. Volwassenen, vooral vrouwen en kinderen, probeerden op allerlei manieren aan eten te komen. In de Kalverstraat zongen ze liedjes, niet voor geld maar voor voedselresten. “Je was eigenlijk met niks anders bezig dan met voedsel en brandstof te vergaren. Daar kwam het gewoon op neer,” herinnert een man zich die de Hongerwinter in Amsterdam meemaakte.

Er werd ook veel eten gestolen. ‘Een groep vrouwen stal in januari 1945 in de Amsterdamse binnenstad tachtig broden en maakte een kar met twintig mud aardappelen buit. Een kar­rijder in de Celebesstraat werd doodgeslagen toen hij zijn vracht probeerde te beschermen,’ staat in De Hongerwinter.

Ook werd er gestolen bij de gaarkeukens, onder meer door mensen uit het verzet. In de gewelven van Die Port van Cleve, zo schrijft Bianca Stigter in het naslagwerk Atlas van een Bezette Stad, kwam de verzetsgroep CS6 van de broers Gideon en Jan Karel Boissevain samen.

Paula Kappelle kreeg in februari 1943 een brief van de Centrale Bedrijfskeuken naar aanleiding van een controle van de Keuringsdienst van Waren. Daaruit bleek dat de calorische waarde aan ‘den lagen kant’ was. Dat zou mogelijk aan de kok liggen. Ze zou hierover een gesprek krijgen, zo werd in de brief aangekondigd.

Ook na mei ’45

Tijdens de Hongerwinter werd het aantal gaarkeukens uitgebreid. De uitgiftepunten zaten in onder meer scholen en kerk­gebouwen. In Amsterdam maakte een derde van de mensen er gebruik van.

In maart 1945 woonden 772.000 mensen in Amsterdam. 250.000 gingen er naar de gaarkeuken oftewel 32,3 procent. In april nam dat aantal toe tot ruim 400.000 Amsterdammers.

Na de bevrijding bleven de gaarkeukens nog enige tijd bestaan. Door de mensen die uit onderduik kwamen en terugkeerden uit de kampen nam het aantal deelnemers van de gaarkeukens alleen maar toe. Bovendien kwamen de voedseltransporten niet zo snel op gang. Het duurde tot het voorjaar van 1946 voordat de overheid de rantsoenen weer op vooroorlogs niveau kreeg.

Vrijdag: het gevolg van ondervoeding

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden