Plus

Maria Barnas is verknocht aan het Nederlandse taalgebied

In de tijd dat Maria Barnas (43) met haar gezin in Berlijn woonde, ontdekte ze hoezeer haar identiteit verknoopt is met wat ze maakt als dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. En hoe belangrijk het Nederlands daarbij is. 'Ik ben diep verknocht aan dit piepkleine taalgebied.'

Maria Barnas: 'Door Berlijn leek Bergen ineens niet zo ver weg van Amsterdam' Beeld No Candy

'Ik zit in de knoop," is het eerste wat dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Maria Barnas zegt als ze binnenkomt voor het interview bij mij thuis.

Haar stem is opvallend zacht en rustig, zeker voor ­iemand aan wier fiets een onbekende zijn of haar kettingslot heeft vastgelegd. "Ik ben best onhandig, maar zó onhandig..." Ze bukt zich om poes Ietje te aaien, die sprekend op haar kater Pietje blijkt te lijken. "Wist je dat poezen zwanger kunnen zijn van wel vier katers per worp?"

Barnas is komen lopen vanaf het Centraal Station. Ze woont tegenwoordig in Bergen met haar Duitse man, kunstenaar en ontwerper Felix Weigand, en hun twee kinderen, nadat het gezin twee jaar had doorgebracht in Berlijn.

"Bij onze terugkeer zochten we naar een huis in Amsterdam met een grotere omtrek. Door Berlijn leek Bergen ineens niet zo ver weg. Dat is het ook niet, in ­afstand, maar het is wel echt zo ­anders dan in de stad wonen. Dat was ­natuurlijk ook het idee: meer tuin, vlak bij de zee. Dat is allemaal heel fijn. Niet zo fijn is een dorpsmentaliteit. In een stad als Amsterdam gebeuren steeds dingen die je niet verwacht, een dorp is juist ingericht op het vermijden daarvan."

Heb je spijt dat je er bent gaan wonen?
"Nee. Ik ben er goed in geworden me om het dorp heen te manoeuvreren, door de weilanden naar het strand. En al mijn werk is hier. Ik ben heel vaak in Amsterdam."

Ze haalt een bundel uit haar tas, getiteld Gute Nacht Einsamkeit. Het zijn ­gedichten over wat zij 'de grijze opslokkant van Berlijn' noemt, afgewisseld met schilderijen van Arjan van Helmond van de blinde muur waarop hij uitkeek toen hij er woonde. Een van de gedichten:

Ik ben benieuwd welke aanbiedingen
van Tchibo ik in de schappen van Kaisers aantref
en twijfel tussen de dubbelwandige mok
de beha met transparante plastic bandjes
en de sokken met noppen opdat je niet ­uitglijdt
en opdat je je veilig voelt in het algemeen
mocht je geen gladde vloer hebben
omdat je je kinderen liever in de gang
en de aaneengeschakelde kamers laat
fietsen dan langs de Gneisenaustraße
die brullend en zonder omwegen
naar het einde van Duitsland leidt.

'Je kunt ­natuurlijk zeggen: je bent niet wat je maakt, maar toen ik ineens niet meer kon delen wat ik in 25 jaar heb opgebouwd, was dat toch best een vreemde gewaarwording' Beeld No Candy

Barnas kan het goed, zowel in haar poëzie als haar proza: dromerige, associatieve gedachten niet laten verzanden in zweverige hoogdravendheid, maar ze door verwijzingen naar alledaagse eigenaardigheden dichtbij laten komen, zonder cynisme, vaak geestig en/of ontroerend.

Haar derde roman Altijd Augustus, ­onlangs verschenen, is een verhaal over het bijzondere en hoogbegaafde tienermeisje Augustus dat eind jaren tachtig opgroeit in een Noord-Hollands dorp. Haar vader heeft zijn gezin verlaten voor een zoektocht naar zichzelf en 'de waarheid'. Hoe dit verloopt, spreekt hij in een nogal hoogdravende stijl in op cassettebandjes, die hij opstuurt aan zijn jongste dochter.

Haar moeder kan zijn vertrek niet ­accepteren en is daardoor ook afwezig. Haar ­oudere zus studeert in de grote stad. Vriendinnen heeft ze niet echt. De meisjes op school met wie ze omgaat, zijn met ­gewone meisjesdingen bezig: jongens, dun zijn, imago. Augustus kijkt en luistert aandachtig en verwonderd naar de wereld om haar heen. Ondertussen werkt ze aan een spreekbeurt over De Duivelsverzen.

Terug naar de opslokkant van Berlijn. "Zo heb ik het wel ervaren, ja. Toen ik er woonde, heb ik dat niet toegegeven. Dat kon niet, ik moest er iets van maken en het had natuurlijk ook leuke kanten. Maar het is waar, het is een stad waarin je kunt verdwijnen. Berlijn kan je echt het gevoel geven dat het er niet toe doet dat je ­bestaat."

De ultieme zelfrelativering. Dat kan ook iets moois in gang zetten.
"Ja. Het goeie voor mij was eigenlijk, echt waar, dat ik mensen niet eens kon laten lezen wat ik deed."

Het was een ontdekking voor mij hoezeer mijn identiteit verknoopt is met wat ik maak. Je kunt ­natuurlijk zeggen: je bent niet wat je maakt, maar toen ik ineens niet meer kon delen wat ik in 25 jaar heb opgebouwd, was dat toch best een vreemde gewaarwording. Uiteindelijk heeft het er wel toe geleid dat ik opnieuw kon beginnen. Ik ben ander werk gaan maken."

Ander werk in de zin van een nieuwe kunstvorm of iets anders binnen de grenzen van voor jou bekend terrein?
"Allebei. Niet zo lang na de verhuizing ging ik een taart bakken in het Duits. Zat ik daar met een Duits recept en Duitse ­ingrediënten; de wanhoop sloeg toe. Tijdens het kneden had ik de ervaring dat ik het deeg hoorde zuchten."

Ze barst in lachen uit. Het duurt even voor ze verder kan praten. "Het was alsof het deeg mijn wanhoop deelde en dacht: wat doet dat mens toch? Het bracht me op het idee dat ik nog nooit iets had gedaan met de fysieke kant van taal. Door dat zuchtende deeg ben ik woorden gaan zeggen in materie die je kunt zien en aanraken, eerst door een deegklomp in mijn mond te nemen."

"Uiteindelijk heeft het ­geleid tot grote glazen objecten waarin ik woorden heb ­geblazen, vanuit de vraag wat er van je overblijft als je ergens woont waar je de taal niet spreekt. Wat heb je dan nog? Ik spreek best een beetje Duits hoor, maar onvolkomen. Zeker ten opzichte van hoe ik met het Nederlands omga. Ik ben als schrijver/dichter diep verknocht aan dit piepkleine taalgebied, heb ik moeten vaststellen. Ik dacht altijd dat mijn bureau overal kon staan, zo voelde het altijd als ik door Amsterdam liep. Het is niet waar. Ik kan wel schrijven in een Berlijn, maar ik schrijf voor hier."

Vind je Duits een mooi taal?
"Ja."

Ook al voor je ermee in huis kwam te wonen?
"Ja, zeker. Ook door de poëzie, van bijvoorbeeld Jan Wagner of Rainer Maria Rilke. Felix kan weleens plagend iets zeggen als: 'Ik las in de Frankfurter Allgemeine Zeitung dat de Nederlandse taal maar tachtigduizend woorden kent. Het Duits heeft er wel 5,3 miljoen!'"

"Dan werp ik tegen dat Nederlands daarom zo'n goede taal is voor poëzie: één woord roept veel verschillende dingen op, omdat we minder woorden hebben om alles te vatten. In een taal met een kleinere woordenschat is elk woord een bomvolle container van verwijzingen."

"Je voelt dat heel duidelijk als je een tijdje Engels spreekt - de taal waarin Felix en ik meestal met elkaar praten. Nederlands bestaat uit bakstenen, het Engels en ook zeker het Duits uit kiezels; er is een woord voor elk vermoeden van een verlangen naar iets in de verte."

"Als ik in het Duits was opgegroeid, was ik denk ik heel anders gaan schrijven. Of helemaal niet. Ik zoek toch juist vaak naar hoe ik iets kan ­omschrijven. Stel je voor dat overal al een woord voor is, dan hoef je misschien niet meer zo nodig."

Is beeldende kunst maken altijd even vanzelfsprekend voor je geweest als schrijven?
"Als kind was dat zo. Later, als volwassene, werd het lastiger, ook omdat de ­werelden waarin ik een podium moest vinden zo verschillend zijn. De wereld van ­literaire uitgeverijen werkt heel anders dan die van galerieën en tentoonstellingsruimtes. Het schrijven heeft uiteindelijk altijd net iets meer mijn aandacht gehad. Het genereerde ook meer aandacht van anderen, dat houdt elkaar in stand."

"Een keer heb ik een afscheidstentoonstelling gemaakt. Alleen al het nadenken over het afscheid nemen van beeld met beeld bracht zoveel nieuwe ideeën dat ik het toch niet kon loslaten. Een gedicht kan soms te veel als een papieren wereld voelen, dat het niet ver genoeg naar buiten reikt. Een beeldend werk is toch veel ­onmiddellijker aanwezig. Dat mis ik in de wereld van alleen maar woorden."

Binnenkort is in het Cobramuseum in de tentoonstelling Radicale Sociale Animale Talen een installatie van jou te zien: een heen en weer slingerende speaker-microfoon waaruit een speech van jou komt. Wat wil je daarmee zeggen?
"Mijn idee van een slingerende microfoon is dat hij maar een paar tellen bij je blijft. Voordat je hebt weten te zeggen wat je belangrijk vindt, is hij alweer weg. Dat gevoel heb ik vaak, dat ik te laat ben met spreken. Nu, met Wilders, wil ik zeggen dat ik zijn ideeën verwerpelijk vind,
maar ik weet niet hoe, waar en op welk moment."

'Je hoort mijn stem goed of minder goed, afhankelijk van waar je staat in de ruimte' Beeld No Candy

"Het idee kreeg ook vorm door een speech van Tony Judt, de Britse historicus en schrijver die in 2010 overleed aan de spierziekte ALS. Aan het einde van zijn leven kon hij alleen nog een paar seconden praten op zijn uitademing, met hulp van een beademingsapparaat."

"In zijn prachtige boek Ill fares the land schrijft hij over de teloorgang van de sociaaldemocratie. Hij stelt dat zijn generatie - de generatie van mijn ouders - zo geloofde in het najagen van de vrijheid en het opbouwen van een verdraagzame ­samenleving dat ze is vergeten de kinderen te wapenen met de motivering voor die samenleving. Een van die wapens is de taal. Volgens Judt hebben onze ouders ons niet de taal geleerd om de waarden te verwoorden die ten grondslag liggen aan de sociaaldemocratie."

Vandaar dat Lodewijk Asscher bleef ­steken. Hij voelt het wel, maar hij kan het niet zeggen.
"Ja, er is stilte ontstaan over het waarom van de sociaaldemocratie. Er is ­
zo lang gedacht dat de waarden ervan vanzelfsprekend zijn, dat de omgangsvorm - de taal - is verwaarloosd. De beweging in mijn installatie komt voort uit wat Judt deed in zijn laatste speeches. Hij ademde in en dan moest hij zijn woorden heel precies klaar hebben, want hij had ­alleen de vijf tellen van zijn uitademing om ze uit te spreken."

Ze probeert na te doen hoe Judt in- en uitademde tijdens zijn speeches. "Je hoort mijn stem goed of minder goed, afhankelijk van waar je staat in de ruimte. En als het goed is, wordt de toeschouwer uitgedaagd ook iets te zeggen. Voor ik eraan begon, heb ik gekeken naar speeches van Bill Gates en Donald Trump, en naar ­online sprekerstips. Wat wordt aangeraden heeft veel met poëzie te maken. Daar stond ik wel van te kijken. 'Je moet alliteratie gebruiken; let op het metrum; pas herhalingen toe.' Het zijn de basale technieken van de poëzie, Trump doet het. Ik doe het ook. Superdoorzichtig, maar het werkt wel. Klanken en de taal zijn toch het enige wat je hebt."

Wat wil jij oproepen met je gedichten?
"Een ruimte waarin gedachten, met alle tegenstrijdigheden en onvolkomenheden, volledig kunnen bestaan. Gisteren werkte ik aan een bijna kant-en-klaar gedicht dat ik vond in een notitieboek. Ik kan me niet herinneren dat ik het schreef. Het gaat over een bos en een boswachter. Waar wacht hij dan? Waar wacht hij op?"

"Ik weet niet precies wat het betekent, maar ik weet wel dat het een ruimte oproept. Of een leegte, waarin ik zelf kan wegzakken als ik het lees. Dat bedoel ik eigenlijk: met poëzie schep je een denkruimte die steeds ­anders kan worden aangewend. Als er maar één interpretatie mogelijk is, denk ik niet dat het een erg goed gedicht is geworden."

Hoe kun je een kant-en-klaar gedicht vergeten in een notitieblok? Dat heeft iets achteloos, alsof het boodschappenlijstje is.
"Als ik notities maak, ben ik me er nog niet van bewust of ze een gedicht gaan worden, of niet. Ik weet wel wanneer bruikbare notities ontstaan. Meestal op momenten waarin ik me het meest wazig en losgezongen voel van alles, zelfs van mezelf. Het is niet per se een prettig uitgangspunt; ik ben er wel, maar ik voel niet goed dat ik er ben."

"Daarvoor moet er rust zijn. Als ik thuis ben en er gewassen en ­gekookt moet worden, komen die momenten niet. Hoogstens krijg ik het gevoel dat ik me moet ­terugtrekken. Een gedicht ontstaat bij mij altijd in een moment van kortstondige ­hyperconcentratie."

Gooi je er weleens eentje weg?
"Nee, ik bewaar alles wel. Soms is een brokstuk jaren later nog bruikbaar in een ander gedicht, terwijl het op zichzelf staand niet genoeg is. Vaak is het ook ­gewoon niks. Er zijn gedichten die niet tot leven komen, ook als het idee erachter goed is."

"Ik reed laatst naar Amsterdam. De weg was glimmend zwart, alsof ik over water reed, ik had mooie muziek opstaan; eigenlijk reed ik door een gedicht. Ik hoef dit ­alleen nog maar op te schrijven, dacht ik. Dat was niet zo, het werd een draak. Ik kan niet zeggen: hier ga ik een gedicht over schrijven. Het is altijd een opwelling, een gestileerde opwelling."

Altijd Augustus leest ook zo, vind ik. Het meisje dat doormarcheert ongeacht wat mensen haar aandoen, meanderend tussen haar fantasieën en het ­normale leven van een puber in een Hollands dorp. Met Salman Rushdie als ingebeelde bondgenoot, verstopt in een schuurtje om aan de fatwa te ontsnappen.
"Het verhaal is klein en grenzeloos ­tegelijk. Rushdie is er wel en niet, haar ­ouders zijn er wel en niet, zij leeft wel en niet in de werkelijkheid. Augustus vertegenwoordigt wat er gebeurt als je een verhaal leest dat je tijdelijk kan transformeren. De oerkracht van een verhaal wilde ik haar laten zijn. Je moet er wel van houden. Mijn buurman zei: 'Tja, het is echt een dichtersroman.' Hij heeft het niet uitgelezen."

Er zit ook veel geestige alledaagsheid in. Zoals de scène waarin Augustus ­beschrijft hoe haar moeder en haar zus spritsen eten: steeds een half koekje nemen. Dat herken ik wel, van mijn oma's, mijn moeder en mezelf.
"Ja, zo eten wij koekjes. Ik heb gelet op die vrouwendingen. Het boek zit er vol mee."

Was het je bedoeling er een feministische lading aan te geven?
"Ik denk het wel. Lang heb ik het feminisme genegeerd. Ik kom uit een gezin met twee broers, ik werd behandeld als een van de jongens. Zo heb ik me ook altijd opgesteld. Het gedoe van vrouwen dat ze in bepaalde dingen niet kunnen slagen omdat ze te veel als vrouw worden gezien, zei mij niets. Ik dacht altijd: je moet ­gewoon doen wat je wilt. Voor mij voelde ­gelijkwaardigheid als vanzelfsprekend."

"Tot mijn dertigste hield ik dat vol, maar de afgelopen tien jaar ben ik er toch genuanceerder over gaan denken. Misschien wel sinds ik moeder ben. Ik ben gaan zien dat rechtsgelijkheid nog geen sociaal-culturele omgangsvormengelijkheid is. Dat stoort me enorm, zowel in de manier waarop mannen als vrouwen zich kunnen opstellen."

In een telefonisch interview een paar jaar geleden over het werk van de Zuid-Afrikaanse dichter Antjie Krog vertelde je dat een redacteur ooit over een van je dichtbundels zei: je zet jezelf wel erg ­nadrukkelijk neer als moeder.
"Als vrouw was het zelfs, geloof ik. Een veelzeggende opmerking. Alsof een redacteur ooit tegen een mannelijke dichter zou zeggen: je zet jezelf wel erg nadrukkelijk neer als man. Bijzonder en opvallend aan Antjie is dat in haar werk de vrouwenwereld zo vanzelfsprekend sterk aanwezig is. De meeste vrouwelijke dichters schreven in het verleden hun vrouwelijkheid weg. Pas de laatste jaren staan veel meer jonge vrouwelijke dichters op die alles aan hun laars lappen, schrijven waarover ze maar willen en daarbij hun vrouwelijkheid niet schuwen, en zelfs inzetten."

Gelukkig maar, want hoe kan een ­gedicht een gestileerde opwelling zijn als je een van je meest wezenlijke hoedanigheden weg schrijft?
"Voor mij is het van belang steeds te weten dat ik toevallig een vrouw ben ­geworden. Als ik schrijf vanuit mijn 'ik' is dat altijd vanuit de gedachte dat ik net zo goed een andere ik had kunnen zijn."

"Ik ben een keer wakker geworden uit zo'n diepe slaap dat ik kortstondig niet wist wie ik was, waar ik leefde, in welk ­lichaam. Terwijl ik langzaam ontwaakte, viel alles druppelsgewijs op zijn plaats: de feiten zeg maar, geslacht, locatie, leeftijd. Ik ervaarde die feiten als een beperking. Wie ik ben, is een staat die daarbuiten valt. Die is mannelijk en vrouwelijk, jong en oud, en zou overal kunnen leven."

"Voor mij is dat iets groters en existentiëlers dan hoe het vrouwelijke al dan niet wordt weggeschreven in de poëzie. Al is het natuurlijk mogelijk dat vrouwen die hun vrouw-zijn uit hun gedichten schrijven dezelfde beweegredenen hebben als ik, en moet ik hen de hand schudden in het verlangen bevrijd te zijn van die eeuwige tweedeling."

Maria Barnas als kind Beeld -

Maia Barnas

28 augustus 1973, Hoorn

1984-1991
Europese school in Culham (UK) en Bergen (NH)

1992-1994
Propedeuse Engelse Taal en Letterkunde, UVA, Amsterdam, propedeuse Koninklijke Academie, Den Haag

1994-1998
Rietveld Academie

1999-2001
Rijksakademie

1997
Romandebuut: Engelen van ijs, nominatie Debutantenprijs

2003
Poëziedebuut: Twee zonnen, Bekroond met de C. Buddingh'-prijs

2017
Altijd Augustus (roman), The Speech (beeldende kunst)

Maria Barnas woont in Bergen met haar man Felix Weigand en hun twee kinderen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden