Man van 'scènes uit de hel'

Radovan Karadzic, de man die 'scènes uit de hel' schreef 'op de zwartste bladzijden uit de geschiedenis van de mensheid', volgens de aanklacht van het Joegoslavië Tribunaal, werd kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog, in juni 1945, geboren in Savnik in Montenegro. Zijn vader was een tsjetnik, een Servische nationalist, die in de oorlog zowel de Duitse bezetters had bevochten als Tito's communistische partizanen. Hij bracht na de oorlog lange tijd in de gevangenis door.

In 1960 vestigde het gezin zich in Sarajevo, die hoofdstad van Bosnië-Herzegovina, waar Radovan medicijnen ging studeren. Naast zijn studie ontpopte hij zich als dichter - in 1968 verscheen zijn eerste dichtbundel, nog voordat hij afgestudeerd was. Hij stond onder invloed van de schrijver Dobrica Cosic, een Servische nationalist, die hem later zou aanmoedigen zich in de politiek te begeven.

Karadzic behaalde in 1971 zijn artsendiploma en specialiseerde zich in de psychiatrie. Hij werkte in die hoedanigheid in een ziekenhuis in Sarajevo en was in de jaren tachtig ook enige tijd de psychologisch begeleider van de voetbalclub Rode Ster Belgrado.

Bij de eerste tekenen van het uiteenvallen van de Republiek Joegoslavië, omstreeks 1990, richtte Karadzic met een aantal gelijkgezinde nationalisten in Bosnië-Herzegovina de Servische Democratische Partij SDS op. Hierbij was ook Slobodan Milosevic, de latere president van Servië, nauw betrokken.

Nadat Bosnië in 1992 door de Verenigde Naties was erkend als zelfstandige staat, riep de SDS de Servische Republiek in Bosnië uit, de latere Republika Srpska. Op het hoogtepunt van de burgeroorlog in Bosnië bezetten de Servische nationalisten rond zeventig procent van het Bosnische grondgebied.

Karadzic werd in mei 1992 gekozen in de driehoofdige leiding van de Servisch-nationalistische republiek. Aan het eind van het jaar fungeerde hij als enige president en opperbevelhebber van het Bosnisch-Servische leger dat werd geleid door zijn boezemvriend Ratko Mladic.

In april 1992 waren de Servische nationalisten begonnen met de belegering van de hoofdstad Sarajevo. Die belegering, met voortdurende bombardementen op de stad vanuit de heuvels rondom, en de terreur van de sluipschutters, kostten het leven aan vele duizenden inwoners. De belegering zou standhouden tot november 1995.
Ook elders in Bosnië moordden en plunderden de troepen van Mladic. De Serviërs richtten concentratiekampen in, waar werd gemarteld, verkracht, uitgehongerd en standrechtelijk geëxecuteerd. Naar schatting zijn in de vier jaar burgeroorlog in Bosnië-Herzegovina een kwart miljoen slachtoffers gevallen.

In die jaren nam Karadzic, als een van de belangrijke politieke spelers, in Genève herhaaldelijk deel aan conferenties die beoogden een einde te maken aan het etnische conflict. De president van Srpska maakte van die gelegenheden gebruik om zich maatpakken te laten aanmeten en drinkgelagen aan te richten in zijn hotelsuites.

In juli 1995 namen de troepen van Mladic de moslimenclave rond Srebrenica in, een 'safe haven' in Servisch gebied, uitgeroepen door de Verenigde Naties en beschermd door Nederlandse blauwhelmen. De Bosnisch-Servische nationalisten walsten over 'Dutchbat' heen en richtten een slachting aan onder de mannelijke bevolking van de enclave. Achtduizend mannen en jongens werden afgeslacht en in massagraven buiten de enclave gestopt.

Prompt volgde de aanklacht van het Joegoslavië Tribunaal, waarin Karadzic en Mladic in staat van beschuldiging werden gesteld wegens genocide en oorlogsmisdaden.

Toch duurde het tot 1996 eer Karadzic zich zo in het nauw gebracht voelde dat hij van het toneel verdween. Hij werd als 'president' opgevolgd door Biljana Plavsic. Karadzic werd sindsdien op tal van plekken gesignaleerd, zowel in Servisch-Bosnisch gebied, als in Montenegro en Servië zelf.
Hij zou schuilplaatsen hebben gevonden in kloosters, in grotten, hij zou zich hebben vermomd als priester en daartoe zijn grijze manen, zijn handelsmerk, hebben afgeschoren, hij zou zich hebben verplaatst in ambulances met sirenes om wegblokkades van de Navo-troepen te omzeilen, hij zou zelfs een keer zijn gezien in een café in het centrum van Sarajevo - maar niemand slaagde erin hem te arresteren. Met regelmaat zou hij zijn vrouw Ljiljana en zijn kinderen Sonja en Aleksandar hebben bezocht in Pale, de 'hoofdstad' van de Bosnisch-Servische republiek.

In 2005 deed zijn vrouw de verrassende oproep aan haar echtgenoot om zich over te geven 'terwille van het gezin'. Korte tijd later verklaarde zijn zoon dat hij van mening was dat elke oorlogsmisdadiger 'berecht moet worden, ook al zou het mijn eigen vader betreffen'.

'Elk Servisch huis zal hem tot schuilplaats dienen, en elke ware Serviër is zijn medestander', proclameerde de Bosnisch-Servische dichter Dragoljub Scekic enkele jaren geleden. Dertien jaar heeft de vlucht van Radovan Karadzic geduurd. Hij moet dus nogal wat medestanders hebben gehad.

Ljiljana Karadzic verklaarde vannacht in Pale: ''Toen gisteravond laat de telefoon ging, wist ik dat er iets mis was. Ik ben geschokt, in de war. Maar in elk geval weten we nu dat hij nog leeft.'' (LAMBIEK BERENDS)

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden