'Mama? Ga ik ook ooit dood?'

Roos Schlikker Beeld Oof Verschuuren
Roos SchlikkerBeeld Oof Verschuuren

Zaterdag zag ik ouders hun zoon begraven, mijn nichtjes hun broer, drie kleine kinderen lieten ballonnen op voor hun vader. Een dame van de kerk gaf ze regenboogzand. "Want wanneer zie je een regenboog? Als het regent én als het zonnetje schijnt. Dus als jullie moeten huilen om heit, weet dan dat er ook een zonnetje is."

Ze zei het lief, maar ik werd er opstandig van. Je moet het maar kunnen, een regenboog zien als een ­jongen van 37 vermoord is. De zon prikte weliswaar ­prominent in mijn nek, maar voor me zag ik niets dan zwart. Sommige dagen krijgen nooit kleur.

Toen ik thuiskwam voelde alles dof en doods. De aai van mijn man, telefoontjes van vriendinnen, ik kon niet reageren. "Ik moet fietsen," was het enige wat ik zei.

Een dag later beukte ik tegen de wind op de dijk richting Monnickendam. Mijn adem zat te hoog, mijn tranen zaten te hoog, het voelde of ik flauw zou vallen, maar ik bleef trappen, kotsmisselijk, urenlang, alleen maar om mijn hartslag te horen.

Laatst las ik het verhaal van een man wiens beste vriend verongelukte. Het zette hem aan het denken. Besteedde hij in zijn leven niet te veel aandacht aan onbelangrijke zaken? Moest hij niet wat meer schijt hebben? Hij reisde naar Afrika en besloot een berg te beklimmen.

Eenmaal boven loerde hij voorzichtig naar het dal. Hij zette een stapje richting de afgrond. En nog één. Nog één. Zijn hart bonkte steeds sneller, hij kreeg het benauwd, de angst nam zijn lijf over. Toch kon hij niet weglopen. Hij bleef net zo lang naar voren schuifelen tot hij bijna echt viel. Een euforisch gevoel borrelde op. Dit was de essentie. Hij moest de dood zoeken om het leven te voelen.

De man schreef er een boek over, The Subtle Art Of Not Giving A Fuck. Het voert allerlei bestsellerslijstjes aan. Blijkbaar hebben we grote behoefte aan onverschilligheid. En aan kleurtjes op begrafenissen.

Deze week begon mijn oudste voor de zoveelste keer over mijn neef, vlak voor het slapengaan. Even daarvoor spraken we ook al over Nouri, dat jongetje dat alles kon wat mijn kind wilde kunnen. Dat jongetje dat nu in bed ligt en niets meer kan.

Ik zocht vergoelijkende woorden. Dat Nouri vast geen pijn heeft. En mijn neef misschien niets heeft gemerkt. Ik maakte regenboogkleurige zinnen, mijn zoon praatte welwillend mee. Tot het even stil was en de tranen alsnog kwamen. "Mama? Ga ik ook ooit dood?"

Fietsen, dat moest ik. Wegwezen uit dit gesprek. ­Fietsen, beuken, levend het sterven ontkennen. Niet denken aan de dood, zeker niet aan de zijne. Ik wilde opstaan, maar deed het niet. Voor het eerst deze week dwong ik mezelf te blijven zitten op zijn wolkjesdekbed.

Ik knikte en zei datgene wat veel te zwart is voor een moederziel. Ja, schat. We gaan allemaal dood. Ook jij.

Toen nam ik hem in mijn armen. De afgrond gaapte onder ons, maar we bleven. Ik voelde onze harten tegen elkaar bonken.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden