PlusInterview

Louis van Gaal: ‘Mijn liefde voor Ajax gaat er nooit meer uit’

Beeld Martin Dijkstra

Het boek LvGDe trainer en de totale mens is er niet om het imago van Louis van Gaal op te poetsen, want dat is naar eigen zeggen niet nodig. ‘Een deel van de media schept een selectief beeld. Maar de man in de straat ziet dat echt anders.’ 

Stipt om 16.00 uur licht Facetime op. ‘LvG’ meldt de telefoon, vanuit Portugal, zoals afgesproken. Oorspronkelijk stond een afspraak in de Algarve gepland, om met Louis van Gaal te praten over het boek LvG – De trainer en de totale mens, dat hij samen met Robert Heukels maakte. Covid-19 maakte een persoonlijk gesprek onmogelijk. Facetimen kan natuurlijk ook, liet Van Gaal weten. “Het is misschien niet optimaal, maar we kunnen ons best doen om er een echt gesprek van te maken.”

Als Van Gaal om 16.00 uur op vrijdagmiddag belt, oogt hij kwiek en uitgelaten. Niets wijst erop dat hij na zijn laatste klus bij Manchester United is weggezakt in een kabbelend leven. “Weet je wat gek is? Dat mensen denken dat ik het rustiger heb nu ik geen club meer train. Dat is helemaal niet zo. Als ik in Nederland ben, ga ik van afspraak naar afspraak. Soms wel drie op een dag – dat is bijna intensiever dan een club trainen.”

Wat zijn dat dan voor afspraken?

“Mensen vragen om adviezen. Clubs, spelers, trainers, mensen in de sport, het bedrijfsleven. Je kunt het zo gek niet bedenken. Het kost me veel tijd en tegelijk is het ook vleiend dat iedereen me om raad vraagt. Kennisoverdracht is belangrijk. Al kan ik best wat gaan temperen.”

Komt u nog weleens in uw geboortestad Amsterdam?

“Zeker wel, geregeld. Truus en ik wonen afwisselend hier, in Portugal, in Noordwijk en we hebben een verblijf in Zwitserland waar we neerstrijken als het te heet wordt. Maar waar ik ook ben, ik blijf kind van de Watergraafsmeer, de wijk in Oost waar ik opgroeide en gevormd ben.”

U voelt zich nog altijd Amsterdammer?

“Natuurlijk. De directheid en de openheid, die Amsterdammers typeert, zijn ook in mijn dna verankerd. Het helpt natuurlijk dat ik met een warm gevoel terugkijk op mijn jeugd in Amsterdam. Het waren de jaren van de wederopbouw en het sappelen, maar ik herinner me vooral het ­plezier en de saamhorigheid.”

In LvG staat letterlijk: ‘De familie Van Gaal genoot van het leven.’

“Zo was het ook. We waren dag in, dag uit bezig met sporten, met spelletjes. Wij kaartten altijd met elkaar. En ook al werkte mijn vader lange dagen – hij was hoofd-vertegenwoordiger van de Steenkolen Handels Vereeniging – áls hij er was, was hij er ook echt.”

Uw vader overleed toen u elf was. Opmerkelijk genoeg kijkt u in het boek zelfs met genegenheid terug naar de ­billenkoek die u soms van hem kreeg…

“Het leven moet geleefd worden, maar het kan niet zonder een ritueel van regels en taken. Dat geldt voor voetballers, in de topsport, en net zo goed thuis bij de opvoeding. Er moeten sancties bestaan als regels worden overtreden; anders hoef je die regels ook niet op te stellen. Ik weet dat een corrigerende tik in deze tijd met argwaan wordt bekeken – toen ik eerder hierover sprak, kreeg ik veel kritiek over me heen. Maar ik schaam me er niet voor om te zeggen dat ik mijn dochters zo nu en dan een tik op de vingers heb gegeven.”

Hoofdredacteur Ronald Ockhuysen interviewt Van Gaal via Facetime.

U hield soms ook hun hoofd onder de kraan.

“Dat weten ze zich nog goed te herinneren. Dat is niet voor niets. De nieuwe generatie, de generatie van mijn dochters, doet dat niet meer bij hun kinderen. Die gaan al heel vroeg de dialoog aan. Zo gaat dat. ­Tijden veranderen. Maar ik ben persoonlijk niet slechter geworden van een tik op mijn vingers. Kinderen moeten leren waar de grenzen liggen. Dat is zeker op jonge leeftijd een goede manier om te begrijpen wat rechtvaardigheid inhoudt.”

Hoe vond u, als jongste in een gezin met negen kinderen, uw plek?

“Ik had als voordeel dat ik overal goed in was. Op de lagere school en ook op de hbs kende ik geen problemen. Met sport won ik alles. Partijtjes bij de Emmakerk, met jassen als doelpalen. Of op straat aan de overkant van het Galileïplantsoen 64, met als doel de lantaarnpalen tot de gele lettertjes. Bij RKSV De Meer speelden mijn broers en ik in het eerste en waren wij als familie altijd aanwezig.”

Miste u uw vader niet vreselijk?

“Mijn moeder was alles voor mij. Mijn vader heb ik eerlijk gezegd nooit echt gemist omdat ik hem nooit echt goed heb leren kennen. Daarvoor ontbrak de tijd; ik was nog een kind toe hij overleed.”

Toen we net digitaal kennismaakten, liet u zich meteen ontvallen dat in ­Portugal een groter saamhorigheidsgevoel heerst dan in Nederland. Wat bedoelt u daarmee?

“Ik wil niet vervallen in nostalgie, maar het buurtgevoel zoals dat vroeger heerste, bestaat niet meer. Nederland is een individualistisch land geworden, waar vrijheid gelijk is aan ‘kunnen doen wat jij als individu wilt’. Daarin zijn we doorgeschoten, vind ik. In Portugal heerst nog wel het gevoel dat je er voor elkaar moet zijn. Het is hier – en dat bedoel ik niet letterlijk – warmer. Mensen maken een praatje met elkaar en gunnen elkaar ruimte.”

Van Gaal (l) speelde 248 wedstrijden voor Sparta. Op deze foto is hij in duel met Bud Brocken van FC Groningen, 1984.Beeld foto Paul Vreeker/ANP

U introduceerde in het voetbal het totale mens-principe – wat erop neerkomt dat voetballers alleen hun top­niveau halen als ze ook als privé­persoon goed in hun vel zitten. Waar kwam dat idee vandaan?

“Ik was na mijn studie aan de ALO jarenlang docent lichamelijk opvoeding, naast mijn carrière als voetballer – zo ging dat nog in de jaren zeventig en tachtig. Die ervaring heeft mij veel gebracht. Ik werkte met allerlei jongens, ook jongens die nu ‘moeilijk opvoedbaar’ of ‘probleemjongeren’ worden genoemd. Ik leerde dat een persoonlijke benadering belangrijk was. Waarom gedraagt iemand zich anders? Wat gaat er om in het hoofd? Deze analyse van de persoon benoemde ik als het totale mens-principe. Ik was in die tijd waarschijnlijk de eerste die dat principe ­toepaste.”

“Toen ik begon als trainer, had ik dus wel een idee hoe ik spelers moest benaderen, daarin had ik een voorsprong. Dat ik verbaal sterk was en over overtuigingskracht beschikte, hielp ook natuurlijk, maar de grote vernieuwing was dat ik ­spelers niet alleen zag als een voetballer die een bal van A naar B kon verplaatsen, maar ook als mens in zijn omgeving.”

Dat klinkt sociaal. Maar er is ook een keerzijde: wie niet luistert, moet weg.

“Dat is te kort door de bocht; ook een trainer heeft zo zijn voortschrijdende inzichten. Maar uiteindelijk moet een ­speler weg als hij zich niet aan de team­taken houdt. Als hij zichzelf boven het collec­tieve belang verheft.”

U vertelde bij Zomergasten in 2018 waarom u oud-Ajacied Bryan Roy in 1993 adviseerde bij Ajax te vertrekken. Roy schrijft daarover in het boek dat hij u uiteindelijk dankbaar is.

“Dat heb ik erg gewaardeerd.”

Ik begreep dat u niet tevreden was over de uitzending?

“Ik vond dat de presentatrice me niet liet uitspreken. Daardoor kwam ik niet uit de verf. Mij was verteld dat het de bedoeling is dat in Zomergasten aan de hand van tv-fragmenten een portret van de gast wordt geschetst. Dat was niet het geval. Het was te fragmentarisch. Te veel ­redactie, te weinig Louis van Gaal.”

Niettemin was er veel waardering, waaronder dus van de eens door u ­weggestuurde Bryan Roy.

“Dat vind ik mooi. Dat hij dat nu nog zo kan zeggen. Dat soort keuzes zijn processen. Die vergen veel tijd en pijn, ook bij mij. Ik probeer spelers te overtuigen hoe zij zich moeten ontwikkelen: wat zou goed zijn voor het team en zijn rol in het team? Hoe gaan we dat bereiken? Met Bryan Roy heb ik dat ook gedaan. Maar toentertijd stond hij er nog niet voor open. En als het individuele belang groter wordt dan het collectieve belang… Dan zitten daar consequenties aan. Dat heb ik hem uitgelegd. Met pijn in het hart. Want Bryan was en is een lieve jongen.”

Die pijn in het hart… Veel mensen lijken dat bij u niet te herkennen. U wordt gezien als dominant en rechtlijnig. Is dat een reden om met dit boek te komen?

“U zegt: ‘Veel mensen lijken dat niet te herkennen.’ Veel mensen? Wie bedoelt u dan? Ik ben bang dat u zich vergist. De media, of preciezer: een deel van de media, zetten mij in die hoek. Die scheppen een selectief beeld. Maar de man in de straat ziet dat echt anders. Die heeft geen enkel probleem met Louis van Gaal. Zelfs bij De Kuip, waar ze doorgaans niet zo enthousiast zijn over Amsterdammers, word ik door iedereen gegroet en toegeroepen. Dus nee, dit boek is er niet om het imago van Louis van Gaal op te poetsen. Dat is niet nodig.”

Waarom dan toch, na uw eerdere tweeluik Biografie & Visie, een nieuw boek?

“Ik heb besloten aan dit boek mee te werken omdat het ruimte biedt om mijn volledige carrière vanuit een breder perspectief te zien. Zo komen zo’n twintig mensen aan het woord met wie ik heb samengewerkt. Het is, hoop ik, daardoor ook meer beschouwend. Bovendien ben ik ook weer een paar jaar verder en wijzer.”

Bent u officieel met pensioen?

“Dat zou ik niet willen zeggen; in de wereld van het voetbal is de werkelijkheid nogal onberekenbaar. Maar ik moet ­zeggen dat het me goed bevalt zonder club. En mijn vrouw Truus is ook niet ontevreden.”

U geniet van de lokale wijn?

“Ik was een fervent liefhebber van Spaanse wijnen, maar ook dat proces evolueert. Ik weet nu meer van Portugese wijnen. Die ben ik ook zeer gaan waarderen, met name de wijnen uit de Alentejo-regio. Het leven staat in dat opzicht nooit stil.”

“Dat is trouwens ook zoiets: dat er wordt opgekeken van mijn voorkeur voor goede wijn en lekker eten. Terwijl iedereen die mij echt kent, weet dat ik een bourgondische inslag heb. Ik kan heel goed genieten en ik kan ook op zijn tijd een feestbeest zijn.”

U combineert hard met zacht?

“Wie niet verder kijkt dan de buitenkant, ziet mij wellicht als een rationele man. In werkelijkheid baseer ik een groot deel van mijn keuzes op mijn gevoel. Ik vind dat logisch. Ratio en gevoel zijn niet van elkaar los te koppelen. Ik ben er nooit voor teruggedeinsd om mijn emoties te laten zien. Zoals bekend schaam ik me niet als ik kwaad word op iemand.”

Vandaar dus dat strenge imago?

“Dat heeft niets met de persoon Louis van Gaal te maken. Weet je wat het is? Ik speel geen rollen. Ik toon blijdschap als ik blij ben. Ik ben verdrietig wanneer ik verdrietig ben. Als ik boos ben of verveeld, dan laat ik dat ook zien.”

Wat vindt uw vrouw, een voormalig pr-manager, daarvan?

“Truus probeert mij zo nu en dan te corrigeren, ja. Vooral op het vlak van mijn presentatie. Zij heeft mij geleerd dat ik in het openbaar best vaker mag lachen. Soms vindt ze dat ik wat minder openhartig had kunnen zijn. Maar ze weet ook: zo zit hij nu eenmaal in elkaar. Ik hecht aan authenticiteit. Dat is in de voetbalwereld niet per se vanzelfsprekend, dat weet ik. Maar ik had het nooit zo lang volgehouden als ik niet mezelf had kunnen zijn.”

In LvG wordt uitgebreid stilgestaan bij uw rol in de zogenoemde Cruijffrevolutie bij Ajax. U kwam toen, als net aangestelde directeur, in de rechtbank tegenover een deel van de club te staan. Is de liefde daardoor voor altijd bekoeld?

“Dat kan niet. Bij Ajax vierde ik mijn eerste grote successen en mijn leven is vanaf mijn jongste jaren doordesemd geweest van Ajax – dat gaat er nooit meer uit. Die hele toestand ontstond doordat Johan Cruijff mij niet zag zitten. Voor de goede orde: dat mocht hij vinden, want iedereen heeft recht op zijn of haar mening. Maar het kwalijke is dat mijn imago in die tijd doelbewust is beschadigd door een bepaalde hoek van de media.”

In welke zin?

“Ik werd als een soort valsspeler en baantjesjager weggezet. Terwijl het pas vals en slap was geweest als ik niet thuis had gegeven. Voor het geld deed ik het ook niet, want ik verdiende bij Bayern München tien keer zoveel. Ik wilde dit echt doen uit clubliefde en omdat ik een Amsterdammer ben. Ik wilde er bovenop zitten bij Ajax, elke dag, invloed uitoefenen, mensen inspireren, beslissingen nemen. Het werd een korte, nare periode. Al moet ik zeggen dat ik door de zwart-makerij en het geruzie wel nog het Nederlands elftal en Manchester United heb kunnen doen, omdat ik dus een vrij man was. Zo zie je maar: elk nadeel heeft zijn voordeel.”

Beschouwt u het WK van 2014 als uw meesterwerk?

Met een lach: “We hebben niet gewonnen, hè?”

Wat is dan uw mooiste herinnering?

“Er zijn veel momenten geweest waarop ik als vakman gelukkig was. Als ik moet kiezen, dan kies ik voor de 0-2 tegen Real Madrid in de winter van 1995. Die avond was Ajax zo dominant. Het gevoel dat ik daaraan overhield is heel goed, ook omdat de Madrileense supporters ons een staande ovatie gaven.”

U hebt in Spanje gewerkt, in Engeland, Duitsland. Met voetballers uit alle delen van de wereld. Wat heeft die internationale ervaring u gebracht?

“Het is niet per se zo dat de Nederlandse cultuur het beste bij me past. Het belangrijkste is, waar je ook werkt, dat de menselijke verhoudingen goed zijn. Dat het onderlinge vertrouwen er is. Het komt erop aan dat spelers zich zo gaan gedragen dat ze voor elkaar door het vuur gaan.”

U won 25 jaar geleden de Champions League met Ajax nadat u jonge spelers langere tijd had kunnen ‘kneden’. Die tijd is er niet meer. Spelers vertrekken eerder en verdienen ook veel meer dan toen. Wat betekent dat voor de ­voetbalsport?

“De maatschappij is veranderd. Al in de jaren negentig riep ik dat de permissive society er was, dat is daarna een zap­cultuur geworden en een gamecultuur. Mensen worden steeds individualistischer. Hoe verder ik in mijn carrière kwam, hoe meer energie het vak me kostte. Ik moest steeds dieper gaan in het brein van het individu om ze dienstbaar te krijgen voor het collectief.”

“Dit begon allemaal met het laisser-faire dat Joop den Uyl in de jaren zeventig predikte. Ineens waren er geen regels meer. We hadden het al eerder over opvoeding – alles kan en mag tegenwoordig en als het misgaat, is de enige sanctie een zogenaamd goed gesprek. Die cultuur is ook de kleedkamer binnengekomen. De coach moet wel het antigif van de maatschappij zijn. Hij wordt gedwongen de hele tijd te corrigeren. Terwijl het eigenlijk vanuit die spelers zelf moet komen. Daar sprak ik ook al over in de jaren negentig: het grote belang van de intrinsieke motivatie. Maar zo zit de maatschappij niet meer in elkaar, het moet tegenwoordig allemaal passen bij je persoonlijkheid, bij hoe jij je voelt.”

U zei onlangs dat u hoopt dat de coronacrisis de harmonie herstelt.

“Dat hoop ik, inderdaad. Nu zien we de noodzaak om elkaar echt te zien, maar zien wij dat ook nog nadat wij samen het virus hebben verslagen? Heel optimistisch ben ik daarover niet.”

Waarom niet?

“Om een parallel naar het voetbal te trekken: de kleedkamer moet veilig zijn. Dat geldt ook voor de hele maatschappij. In deze huidige wereld van anonimiteit en dus geen verantwoordelijkheid is dat niet te doen. Twitter, Instagram, Facebook: iedereen is primair met zichzelf bezig, en dus niet met de ander. In mijn ogen is dat niet goed. Al helemaal niet voor ­jongeren.”

Zien we u nog wel terug in Nederland?

“Ik kom in normale tijden, zonder corona en aangepaste vluchtschema’s, best vaak langs. We hebben ons huis in Noordwijk, en de kinderen en hun gezinnen leven in Nederland. Maar ik prijs me gelukkig dat ik hier, in het zuiden van Europa, op enige afstand de wereld kan beschouwen. Al moet die afstand ook weer niet te groot worden. Ik ben en blijf een mensenmens. Ik vind de relaties die ik heb opgebouwd belangrijk. Ik word pas echt geraakt vanuit het mens-zijn. Ik heb om die reden nog veel contact met mensen die ik tijdens mijn carrière of daarbuiten heb ontmoet.”

Bent u trots op uw prestaties?

“Nu zijn het herinneringen, is het ver­leden tijd. Ik heb altijd gezegd dat ik niet in het verleden leef. Trots voelde ik op het moment zelf dat we een prijs pakten. Ongelooflijk blij was ik, voor de spelers, voor de club, de voorzitter, de supporters. Maar dat was toen. Ik heb hier honderden dvd’s liggen, maar ik heb ze nog niet teruggekeken.”

Dat moment kan dus nog komen?

“Daarvoor heb ik ze bewaard, maar geen zorgen: ik doe nog veel andere, leuke dingen. Ik wist dat ik het leven zonder vaste baan als prettig zou ervaren, eerder heb ik twee sabbaticals gehad en dat vond ik echt fijn.”

Denkt Truus er ook zo over?

“Truus geeft mij ruimte en ik geef Truus ruimte. Dat moet ook wel – ineens is die man altijd thuis, hè. Maar zoals gezegd: ik zit niet stil. Al heb ik een tijdje terug voor de eerste keer in mijn leven een serie gekeken op Netflix: The Good Wife.”

U vertelt in uw boek dat u ook nadenkt over uw eigen dood.

“Mijn vader, broers en zussen zijn veelal jong gestorven. We hebben zelfs een schoonzoon verloren, veel te jong, verschrikkelijk. Mede daarom heb ik een strategie ontwikkeld hoe ik oud wil worden met Truus. We hebben onze woonhuizen zo geselecteerd dat ze passen bij deze fase van ons leven, met de noodzakelijke faciliteiten en comfort.”

En daarbij hoort ook een plan voor als het misgaat?

“Hoe nemen wij afscheid van elkaar? Daar heb ik met Truus en de kinderen veel over gepraat. Ik heb nu de tijd dat alvast in orde te maken. Veel mensen schuiven dat voor zich uit, maar ik wil dat niet. Dat heeft te maken met het overlijden van Fernanda, de moeder van mijn kinderen. Wij hebben toen geen goed afscheid van haar kunnen nemen. Dat is het ergste wat er is. Dat zien en horen wij ook nu van mensen die hun naaste hebben verloren aan het coronavirus zonder afscheid te kunnen nemen. Ik wil voorkomen dat zoiets ook bij mij gebeurt.”

De perfectionist Van Gaal heeft ook dat geregisseerd?

“Ik denk dat dit meer met de gevoelsmens te maken heeft dan met de perfectionist. Laat ik het zo zeggen: ik heb alle voorwaarden gecreëerd en dat was niet makkelijk, want de wetgeving en de ­procedures zijn veel complexer dan ­iedereen denkt.” Met een lach: “Of het ook zo gaat gebeuren, weet ik natuurlijk niet. Dat heeft ook Louis van Gaal niet in de hand.” 

LvG – De trainer en de totale mens, Robert Heukels en Louis van Gaal, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, €21,99.

Vlak nadat hij met Ajax de Champions League-finale won, 24 mei 1995.Beeld Hollandse Hoogte / Fotografie René Bouwman

Louis van Gaal

8 augustus 1951, Amsterdam

1963-1968

St. Nicolaaslyceum

1968-1972

ALO

1972-1987

Voetballer bij Ajax, Antwerp FC, Telstar, Sparta en AZ

1991-1997

Hoofdcoach bij Ajax (winnaar Uefa Cup in 1992, winnaar Champions League in 1995) 

1997-2000

FC Barcelona (2x kampioen en winnaar Spaanse beker)

2005-2009

AZ (kampioen in 2009)

2009-2011

Bayern München (kampioen en bekerwinnaar in 2010)

2012-2014

Nederlands elftal (derde op het WK in Brazilië in 2014)

2014-2016

Manchester United (winnaar FA Cup)

Louis van Gaal woont met zijn vrouw Truus in Portugal, Nederland en Zwitserland. Hij heeft twee dochters uit zijn huwelijk met Fernanda, die in 1994 overleed.

Beeld Foto: SCS/Soenar Chamid
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden